Vader van de gele ambulance


„Ik zeg wat ik denk. Rechtdoorzee. Dat waren ze in Limburg en Brabant begin jaren zestig niet gewend. Ik was hier als Hollander al snel ‘het brutaaltje’.
INTERVIEW UITGELICHT
DOOR RON BUITENHUIS
FOTO JOHN PETERS
Thuis was er één plak ham voor vier boterhammen. Maar Tom Smeenk (79) werd een succesvolle verkoper die Nederland de eerste gele ambulance gaf. Het verhaal van een Hagenaar die Limburg liefheeft.
In een hoek van de kamer stonden twee kleine sigaartjes in een vaasje. ‘Die rook ik bij een speciale gelegenheid op’, zei m’n vader altijd. Het was 1950, net na de oorlog in Voorburg en we hadden het thuis niet breed. Eén plak ham werd over vier boterhammen verdeeld. Op een dag komt zo’n kale pater vragen of ik, net als m’n oudste broer, naar het seminarie wil om priester te worden. Rookt die vent alle twee de sigaren op. Ik was twaalf jaar maar ik voelde verdriet en woede tegelijk. Dit was zó oneerlijk.
Ik ben katholiek opgevoed, geloof nog steeds, maar niet meer in de kerk. Farizeeërs zijn het! Ja sorry hoor, maar zo ben ik, ik zeg gewoon wat ik denk. Rechtdoorzee. Dat waren ze in Limburg en Brabant begin jaren zestig niet gewend. Ik was hier als Hollander al snel ‘het brutaaltje’.
Terwijl ik op mijn beurt juist vreselijk gecharmeerd was van jullie zachte taaltje en de gemoedelijkheid van het zuiden. Zo anders dan bij ons, daar word je voor het minste of geringste platgedrukt. Als ik nu vanuit het zuiden de Moerdijk over rij, krijg ik een weeïg gevoel. Even op visite bij familie, maar dan snel weer terug. Mijn vrouw Kitty komt uit Tilburg en die noemde mij altijd ‘ons juinske’. Het is zestig jaar geleden, maar weet je dat ik nog elke dag verliefd op haar ben? Zodra ik haar zie, wil ik haar kussen en knuffelen, m’n lieve vrouw. Maar ze wordt steeds onbereikbaarder voor me. Ze heeft al meer dan vijftien jaar alzheimer en de laatste jaren gaat het hard. Sorry, maar als ik er over praat komen de tranen. Mijn arme meissie.

Ik ben al jaren fulltime mantelzorger. Met liefde, begrijp me goed, maar het is een zware opgave. 24/7 klaarstaan. Ik moest laatst naar de begrafenis van mijn beste vriend in Den Haag en het klinkt harteloos en banaal, maar het voelde als een uitje. Even je gedachten en tijd op iets anders kunnen richten. We wonen in Leveroy, een klein dorpje, maar hoe ouder je wordt, hoe minder de mensen je kunnen vinden.

 

Terwijl de deur altijd gastvrij open staat. Kom maar binnen hoor, mensen van Leveroy! Of is het dat ik, zelfs na veertig jaar in Limburg, toch‘eine Hollenjer’ blijf? Je mag gerust weten, ik voel me wel eens eenzaam en machteloos. Gelukkig hebben we een goede kennis uit Heythuysen die Kitty af en toe verzorgt.
Ik heb haar ex-man nog aangenomen toen ik bij de Nedam in Weert werkte. Hij miste een arm en had een haak en kreeg daardoor bijna nergens werk. Ik had medelijden.
Tja, zo was die brutale Hollander dan ook wel weer. Ik heb altijd m’n mondje goed kunnen roeren. Ik verdiende in Den Haag bij Opel Riva ooit 450 gulden en praatte me bij de Nedam-directie naar 900 gulden, een huis met bad, een tuintje en later een auto van de zaak. Ik had graag willen studeren, was voor de hbs getest, maar alle spaarcentjes van het gezin gingen op aan de seminariestudie van m’n oudste broer, dus moesten de andere kinderen voor brood op de plank zorgen.
Lts en daarna werken, zei m’n vader tegen mij. Hij was automonteur en later chauffeur op een ministerie.
Daar moest ik volgens hem ook gaan werken. Vaste baan, dat was toen heilig. Maar ik had toen al de koopmansgeest in me. Net als m’n oma.
Die keek op de markt bij elke viskraam onder de kieuwen van de vis en betaalde geen cent te veel. Verkopen en elke dag minstens een half uur lachen, dat zijn de rode draden in m’n leven. Ik kan niet zonder geintjes.
Stond er een kale klant voor de balie, dan bukte ik me quasi naar de grond, haalde m’n eigen kammetje tevoorschijn en vroeg dan met een uitgestreken gezicht: iemand z’n kammetje verloren? Niet brutaal, maar gewone flauwekul, net zoals mijn grote idool Toon Hermans. Enfin, lang verhaal kort, ik praat me naar binnen bij de Nedam-Opelgarages in Roermond, Weert en Venlo. Eerst als magazijnchef en in 1974 als importeur van Miesen ambulances Nederland. Destijds een ondergeschoven kindje binnen de Nedam. Gaandeweg kreeg ik carte blanche van de directie. Mijn voorganger verkocht drie ambulances per jaar, ik na een tijdje 25 ambulances tot wel 212.000 gulden per stuk bij ziekenhuizen, GGD’s, maar ook bij de marine en land- en luchtmacht, Shell en Esso en het Rode Kruis in rampgebieden. Ik was een van de eersten die in Europa brancards met het uitklapbare Amerikaanse Washington systeem introduceerden, dubbele blauwe zwaailichten op de cabine en het woord ‘ambulance’ in spiegelschrift. Ik begon te experimenteren met de rood-blauwe ‘stripings’. Vroeger waren alle ambulances wit met een rood kruis. Maar wit zie je niet goed in de winter. Na een onderzoek in Scandinavië heb ik als eerste de signaal gele ambulances in Nederland geïntroduceerd.
Later werden ook helikopters, motoren en landrovers signaal geel. Ik belandde in de Europese CEN-vakgroep die de inrichting voor ambulances moest standaardiseren. Vroeger had elk land zijn eigen spullen aan boord, zelfs de brancards hadden verschillende maten. Ik reisde de halve wereld rond, zat aan bij medici, generaals en hoge ambtenaren om de ambulances met de beste apparatuur te verkopen. In totaal heb ik tot aan m’n pensioen 974 ambulances verkocht. Dat hadden er duizend kunnen zijn, want we zouden nog 26 landrovers leveren aan het Indonesische leger. Maar dan moesten we 10 procent ‘afdragen’ aan de vrouw van de president. Dat hebben we uiteraard geweigerd.
Ik was verkoper, maar heb me altijd fanatiek ingezet voor de veiligheid en inrichting van ambulances.
In 1970 had ik namelijk aan het Gardameer een goede vriend verloren na een hartaanval, omdat er nauwelijks apparatuur aan boord van de ambulance was. Terugkijkend denk ik dat dit ventje uit Zuid-Holland een succesvolle carrière achter de rug heeft, waar mijn vader trots op kon zijn. Maar hij heeft er nooit iets over gezegd. Raar hè, dat ik dat, nu ik tachtig ben, nog altijd belangrijk vind. De mooie kant van het verhaal is dat ik, ondanks mijn hoge leeftijd, nog nooit zelf in een ambulance heb gelegen. Maar goed ook, want ik moet nog heel lang gezond blijven om voor mijn lieve meissie te zorgen.
Tags: ,