De kerk

0 Comment

           Naam: Barbara

4   december   H.Barbara, maagd en martelares

Aan het einde van de derde eeuw werd Barbara geboren als dochter van de welgestelde heidense vader Dioscorus in het huidige Izmid in Turkije. Zij stond bekend om haar uitzonderlijke schoonheid, haar geleerdheid en haar zuivere inzichten. Alle rijke jongelingen uit die streek dongen naar haar hand, maar zij voelde dat zij haar leven iets anders moest geven, iets dat haar nog niet bekend was. Steeds wist zij de weg te vinden naar een kleine groep christenen die in die tijd onder voortdurende angst moestem leven voor de keizerlijke vervolgingen. Zij wilde meer over dit bijzondere geloof weten en steeds meer werd haar bewust dat dit haar verdere levensweg zou gaan bepalen.

Haar vader, die een fanatieke christenvervolger was, besloot Barbara van de christenen weg te houden door haar in een toren, nabij het huis, in te sluiten. Hij gaf opdracht voor de bouw van deze toren waarin twee vensters moesten komen. Barbara gaf echter de opdracht om er drie in te plaatsen om zo de heilige Drie-eenheid als symbool in de muur te kunnen zien. Bij afwezigheid van haar vader liet zij zich dopen. Haar vader ontstak in woede en sleepte haar voor de stadhouder die het meisje liet geselen. Christus zelf zou haar in de nacht de wonden verzorgd hebben. Steeds weer werd zij op bevel van de stadhouder vreselijk gefolterd maar een engel bedekte haar vreselijke wonden met een wit kleed. Toen de stadhouder bemerkte dat het niets uithaalde liet hij het meisje door het zwaard ombrengen. Het was haar eigen vader die dit vonnis voltrok. Gelijk daarop werd hijzelf door de bliksem getroffen. (Een van de vele verhalen rond de heilige Barbara).

Haar sterfjaar zou in het jaar 306 zijn geweest. Het is geweest in de tijd van keizer Galerius Valerius Maximinus, de opvolger van Diocletianus. In het jaar 1000 zouden de relieken in de Marcus kerk in Venetie en van daaruit op het eiland Torcello.

Patrones van: artilleristen, infanteristen, mijnwerkers, architecten, boeren, dakdekkers, metselaars, tunnelbouwers, bouwvakkers,  klokkengieters, metaalgieters, smeden, steenhouwers, beiaardiers, koks, hoedenmakers, slagers, gevangenen, meisjes, brandweer, stervenden, stervensuur, torens, vestingen. Patrones tegen:  vuur, koorts, de pest, onweer.

Helper in nood

Parochie/kerkgemeente:                H. Barbara
Dekenaat/ kerkverband:                Thorn-Heythuysen
Plaats:                                                 Leveroy
Gemeente:                                         Nederweert
Wijk:
Adres:                                                Dorpstraat 2
Postcode:                                          6091 NK
Coördinaten:                                    x: , y:
Eigenaar:
Rijksmonumentennummer:
Kadastrale gegevens:                      Nederweert G 1464
Bouwpastoor/ bouwpredikant:    H.H.A. Schippers
Architect(en):                                   Groenendael van Wielders
Kunstenaar(s):                                 Rats, Reinald / Wielders, Lily (glas in lood)
Huidig gebruik:                                R.K. Kerk

Ruimtelijke context

De Barbarakerk staat centraal in het dorp aan de doorgaande weg en fungeert als markeringpunt van het centrum. Door de ligging in een bocht is de kerk goed zichtbaar en dient als landmark.

Type

De georiënteerde kruiskerk is opgetrokken in baksteen en is voorzien van een grote viering, die door betonnen spanten in een spitsboogvorm wordt overspannen. In de oksel van de kerk staat een toren, met daarin de toegang. De bankopstelling is axiaal en is doorsneden door een middenpad en zijpaden.

Bouwgeschiedenis

Voorgangsters

Mogelijk heeft reeds in de 13de eeuw een kapel in of nabij Leveroy gestaan. Het oudst bekende kerkje was een 15de of 16de eeuwse gotische kapel, die in 1620 tot parochie werd verheven door bisschop A. Castro van Nederweert. In 1670 was er nog geen vast hoofdaltaar, maar de toren stamde uit de 15de of 16de eeuw, zodat hierin was voorzien. Mogelijk werd in de toren in de 17de eeuw een nieuwe westingang gemaakt. Opmerkelijk is, dat vooral de grote armoede van de kerk werd benadrukt. Het interieur werd vanaf 1700 verrijkt door giften vanuit Horn. In 1839 werd de kerk vervangen door een eenvoudige, niet-georiënteerde zaalkerk met een rechthoekige koorafsluiting, omdat de oude kerk te klein was geworden. Het interieur was voorzien van een gepleisterde koofzoldering. De toren bleef hierbij behouden. In de jaren twintig van de 20ste eeuw werd de kerk wederom te klein en kreeg architect J. Wielders uit Sittard van de bouwpastoor P.J. de Fauwe de opdracht een nieuwe kerk te bouwen.

Eerste kerk van Wielders

(Bron: De verwoeste kerken in Limburg/A. van Rijswijck)

Na het gereedkomen hiervan in 1923 werd de oude kerk, die naast de nieuwe stond, in 1924 gesloopt. Ook de toren, die Monumentenzorg nog wel had willen behouden, verdween, dewijl er geen geld beschikbaar werd gesteld voor de hoognodige restauratie. Wielders werd als een modern bouwer beschouwd, omdat hij zich liet inspireren door onder meer de vormentaal van de Amsterdamse School. Hierbij zag hij grote mogelijkheden voor het toepassen van nieuwe

bouwmaterialen, zoals beton. In de kerk werden niet alleen de spanten in beton uitgevoerd, ook de vensters werden in dit materiaal gevat. Een bijkomend voordeel was, dat de muren niet zo zwaar hoefden te zijn om de spantkrachten op te vangen. Hierdoor kon de kerk met een spouwmuur worden uitgevoerd en toch maar 44 cm dik zijn. In de uitvoering liet de architect de spanten wel met baksteen bekleden. De ramen echter bleven zonder bekleding. Ook liet Wielders zich inspireren door een aantal vernieuwingen in de liturgie. Een gevolg was, dat de plaats van het zangkoor niet langer op een tribune achter in de kerk was geprojecteerd, maar rechts van het priesterkoor, en op dezelfde hoogte

als het presbyterium. Hiertoe werd een ruimte achter het zijaltaar ingericht, zodat een zangkapel ontstond. Bovendien was de kruiskerk kort en breed van opzet, zodat het kerkvolk goed en onbelemmerd uitzicht kreeg op het altaar. Dit laatste was niet nieuw, maar kreeg bij Wielders wel een grote betekenis, doordat de zitplaatsen in de kerk een brede plattegrond kregen, waarbij de breedte groter was dan de lengte. In 1925 was de nieuwe kerk klaar en

werd zij in gebruik genomen. De voornaamste kritiek op de kerk van Wielders behelsde de grote betonnen overspanningen van de viering, waarvan de draagkracht werd betwijfeld. Maar toen op 15 november 1944 de kerk werd opgeblazen door de zich terugtrekkende Duitsers, bleken alleen de spanten het gehouden te hebben.

De verwoeste kerk van Leveroy.  Bron: De verwoeste kerken in Limburg / A. van Rijswijck, pr. – 1946

Huidige kerk

Direct na de oorlog werd besloten de kerk op dezelfde plaats te herbouwen. Voorlopig werd een noodkerk in het patronaat ingericht. Als bouwpastoor werd in 1945 pastoor H.H.A. Schippers benoemd, die voor de oorlog in Weert-Alterheide bouwpastoor was geweest. Opnieuw werd architect Jos. Wielders gevraagd een kerk te bouwen. In 1946 werden de restanten van de oude kerk verwijderd, waarbij de fundamenten gespaard bleven. Hier moest de nieuwe kerk opnieuw op gebouwd worden. De nieuwe kerk diende echter wel groter te worden. Door een zangtribune achter in de kerk te plaatsen en de kerk aan de westzijde uit te bouwen kon Wielders aan de opdracht voldoen. Aan de oostzijde liet Wielders de ruimtes van sacristie en zangkapel vervallen. Een nieuwe en grotere sacristie aan de noordzijde verving

de oude ruimte. Op de plaats van de vroegere zangkapel ontstond nu een verkleinde en afgesloten ruimte, die nog steeds als berging fungeert. In plaats van de eerdere zich vernauwende koorafsluiting gaf Wielders de kerk nu een absis. Ook de biechtstoelen en de doopkapel kregen een nieuwe vorm. De ui op de toren, die Wielders in eerste instantie wilde bouwen, verviel bij latere plannen. Wielders gaf zelf aan in zijn aanbiedingsbrief, dat hij de

vooroorlogse kerk mooier vond. De uitbreiding aan de westzijde was hiervan de oofdoorzaak. De bouw werd gegund aan de firma J.M. Scheepers te Weert. De eerste steen volgde op 28 november 1948. De toren kon nog niet worden gebouwd, ondanks druk van de bouwpastoor. Maar vanuit Den Haag kwam het bericht, dat gezien de huidige stand van de bouwnijverheid de bouw van kerktorens niet konden worden toegelaten tot boven de nok van het dak. Gedoeld werd op het bouwverbod, dat in deze periode gold. Daarom werd de toren slechts half gebouwd en met een laag siermetselwerk voorlopig afgesloten. Op het platte dak stonden de klokken in de open lucht. Zo werd op 18 december 1949 de kerk in gebruik genomen. Op 24 september 1951 volgde de consecratie door Mgr. Lemmens. Wielders was in 1949 overleden en de werkzaamheden werden overgenomen door Jacques van Groenendael, die met Wielders samenwerkte en zijn bureau overnam.

In 1952 kwam de gewenste toestemming en volgde de afbouw van de toren. Dit werk werd verricht door Jos. Scheijven uit Nederweert.

Veranderingen

In 1976 ontstond het plan, de banken te verwijderen en te vervangen door stoelen. In plaats hiervan werden de kinderbanken vergroot, zodat zij nu in grootte gelijk zijn aan de andere banken. Aangezien deze banken vooraan stonden, is het kindergedeelte hier nu verdwenen. In de transepten bleven zij gehandhaafd. In circa 1985 werden de

doopwachtkamer en de doopkapel opnieuw ingericht tot Maria- annex dagdevotiekapel. De doopvont werd verplaatst en een Mariabeeld op een sokkel in het zicht van de wachtkamer geplaatst. Tussen de vont en het beeld staat nu een muurtje van los geplaatste betonnen sierstenen. Op een onbekend moment werd een oude communiebank kundig tot vieringaltaar omgebouwd door dezelfde timmerman, die de banken heeft vergroot.

Exterieur

De kerk heeft de vorm van een Latijns kruis en is gedekt met een zadeldak met blauwe verbeterde hollandse pannen. Het hemelwater wordt afgevoerd in overstekende bakgoten. Op de afsluitingen staan puntgevels met een rollaag en natuurstenen inzetstukken. De muren zijn opgetrokken in bruine baksteen in kruisverband. Het trasraam is in een donkerder kleur baksteen gemetseld. Op de hoeken zijn natuurstenen met een ruw oppervlak gemetseld. De westgevel wordt geopend door een drie gekoppelde rondboogvensters met een afzaat, zoals alle vensters rondom een afzaat  hebben. Hieronder staan nogmaals twee kleinere triforen. Het schip is verder geopend met triforen in de zijgevels. In de oksel van zuidertransept en schip staat de ongelede toren. De toren fungeert tevens als hoofdingang en heeft daartoe een rondboog aan de westzijde met een dubbele houten deur. Ter hoogte van het dak van de kerk is een laag met siermetselwerk geplaatst. Hierboven steken waterspuwers uit de hoeken van de toren. De toren is hierboven geopend door drie gekoppelde rondbooggalmgaten met galmborden. De toren is afgedekt met een overstekende ingesnoerde vierkante naaldspits met leien, bekroond met een kruis en een haan. Aan de noordzijde van het schip staat een uitbouw onder een lezenaarsdak. Deze wordt betreden door een houten deur in een rondboog aan de westzijde van de uitbouw. Licht wordt toegelaten door rondboogvensters aan de westzijde en de noordzijde. Aan de oostzijde sluit de uitbouw aan op het transept. De beide transeptgevels zijn doorbroken door een drie gekoppelde rondboogvensters. Hieronder staat een processiebeuk onder een lezenaarsdak, dat wordt verlicht door biforen. In de oksel van koor en zuidertransept staat een gesloten uitbouw onder een lezenaarsdak. Aan de andere zijde, de noordkant, staat de sacristie onder een schilddak. Tegen de koorafsluiting is een absis gebouwd, dat met een half kegeldak met leien is afgesloten. Onder de overstekende bakgoot staat een sierfries. Licht treedt binnen door rondboogvensters tegen de muur van het koor.

Interieur

Zicht op het priesterkoor

 

De kerk wordt betreden door de ingang in de toren. Het portaal hier is vierkant en wordt verlicht door twee rondboogvensters. De dubbele houten deur onder een segmentboog geeft toegang tot juist naast de viering, achter in de kerk. De ruimte wordt gedomineerd door de spitse tongewelven, die in wit pleisterwerk zijn uitgevoerd. Rondom de viering zijn vier even grote bogen geplaatst. In het schip is een extra boog geplaatst. De gewelven lopen door tot

circa twee meter boven de vloer. Onderaan is een trasraam gemetseld in wild verband. De vloeren zijn in natuursteen uitgevoerd. De banken staan in vier grote blokken op het altaar gericht, gescheiden door paden. Achter in het schip zijn nogmaals twee blokken met banken geplaatst. De  zangtribune heeft een gepleisterde balustrade en wordt verlicht door drie gekoppelde vensters. Onder de tribune wordt licht toegelaten door twee triforen. De doopkapel met wachtkamer staat aan de noordzijde. In dezelfde uitbouw bevindt zich tevens een zij-ingang. De doopwachtkamer is ingericht tot devotiekapel en is van de doopkapel gescheiden door een hekwerk. De doopkapel is heringericht tot Mariakapel en tot doopkapel. De delen zijn van elkaar gescheiden door losse, op elkaar gestapelde betonnen sierstenen. Licht treedt binnen door drie rondboogvensters. De kapel heeft een gepleisterd tongewelf. Kerk en kapel zijn gescheiden door een hekwerk onder een segmentboog. De transepten worden verlicht door drie gekoppelde vensters. Hieronder bevindt zich een smalle processiebeuk, die van het transept is gescheiden door vier rondboog scheibogen. Licht treedt hier binnen door biforen. Aan de westzijde van deze gangen staan biechtstoelen. Tegen de oostmuur staan in de transepten naast het koor twee houten zijaltaren op een  travertijnen predella. Het koor is van het schip gescheiden door trappen met een 19de eeuwse communiebank. De vloer in het priesterkoor is bekleed met  travertijn-tegels. Achter de triomfboog staat de absis. Deze wordt verlicht door twee rondboogvensters, die tegen de

muur van het koor staan. De absis is overkluisd en heeft aan de onderzijde segmentboogspaarverlden uitgemetseld gekregen. Juist voor de triomfboog staat het supedaneum met het sacramentsaltaar. Het supedaneum staat geheel vrij in de absis. De sacristie is bereikbaar door een deur aan de noordzijde van het koor en via een deur in het noordertransept. Aan de zuidzijde van het koor is een deur, die toegang geeft tot een bergruimte.

(Bron: Dr A. Jacobs en Drs. A.A. Wiekart – Kerken na 1940. Inventarisatie en waardenstelling kerkelijke bouwkunst na

1940 –Roermond – Stichting Monumentenhuis Limburg, 2003).

Orgel

Blijkens de dispositie-verzameling van Broekhuyzen (medio 19e eeuw) werd in 1845 in deze kerk een eenmanuaals orgel geplaatst, voorzien van een aangehangen pedaal; in de nieuwe kerk werd aanvan-kelijk gebruik gemaakt van een harmonium; dat ging in 1944 verloren; in de herstelde kerk plaatste Verschueren Orgelbouw (Heythuyzen) in 1953 een nieuw tweemanuaals orgel.

Hoofdwerk                           Zwelwerk                                Pedaal

 

Prestant 8’                           Tolkaan 8’                              Subbas 16’

Roerfluit 8’                            Holpijp 8’                            Octaafbas 8’

Octaaf 4’                                  Baarpijp 4’

Mixtuur III-IV                        Nachthoorn 2’                     Kromhoorn 8’

Bron: G.M.I.Quaedvlieg – Orgeldocumentatie Limburg (Stadsbibliotheek Maastricht)

Bijzondere voorwerpen en afbeeldingen

Altaar, marmer, 1925.

Tombealtaar met gecanneleerde hoeken en fries. Centraal staat in reliëf een uitgebreid kruismotief. De mensa steekt over. Hierop staat een zwarte kaarsenbank. In de absis. Het voormalige hoogaltaar is nu als sacramentsaltaar in gebruik. Het is afkomstig uit de oude kerk en na de oorlog herplaatst.           Doopvont, hardsteen, XXc

Zevenhoekige voet, stam en cuppa met holzwenkende vlakken. De vont bestaat uit twee delen, waaronder een heilig putje. Langs de bovenrand van de cuppa staat de tekst: EGO TE / BAPTIZO / IN NOMINE / PATRIS ET / FILII ET /  SPIRITUS / SANCTI. De vont is gedekt met een zevenhoekige holzwenkend koperen deksel, gekroond door een kruis. De doopvont staat nog steeds in de doopkapel, maar is verplaatst. De aansluiting van het heilig putje is nog in de grond te zien, maar is afgesloten.

Glas-in-lood

     

Isaias.
Lily Wielders 1951,
Driedelig raam in het transept,
Antiekglas/lood/grisaille
270 x 50 cm

 

Een Calvariegroep met Maria en Johannes onder het kruis.
Lily Wielders 1951,
Driedelig raam in het transept,
Antiekglas/lood/grisaille
350 x 50 cm

 

Jeremias.
Lily Wielders 1951,
Driedelig raam in het transept,
Antiekglas/lood/grisaille
270 x 50 cm

 

 

Melchisedech.
Lily Wielders 1951,
Raam in het priesterkoor,
Antiekglas/lood/grisaille
255 x 65 cm

 

Het offer van Abraham.
Lily Wielders 1951,
Raam in het priesterkoor,
Antiekglas/lood/grisaille
255 x 65 cm

 

     

Apostel. Inschrift: GELIJK GIJ HEM TEN HEMEL ZAAGT OPVAREN ZO ZAL HIJ WEDERKOMEN ALLELUJA.
Lily Wielders 1951,
Driedelig raam in het transept,
Antiekglas/lood/grisaille
270 x 50 cm

 

Verrijzenis.
Lily Wielders 1951,
Driedelig raam in het transept,
Antiekglas/lood/grisaille
350 x 50 cm

 

Apostel. Inschrift: MANNEN VAN GALILEA WAT STAAT GE NAAR DEN HEMEL TE STAREN.
Lily Wielders 1951,
Driedelig raam in het transept,
Antiekglas/lood/grisaille
270 x 50 cm

 

     

Een herder.
Lily Wielders 1950,
Driedelig raam boven de orgeltribune,
Antiekglas/lood/grisaille
270 x 50 cm

 

Maria met kind (geboorte van Jezus).
Lily Wielders 1950,
Driedelig raam boven de orgeltribune,
Antiekglas/lood/grisaille
270 x 50 cm

De h. drie koningen.
Lily Wielders 1950,
Driedelig raam boven de orgeltribune,
Antiekglas/lood/grisaille
270 x 50 cm

 

 

 

Glas-in-lood, ca. 1951. Afbeelding van een oudtestamentische priester met in zijn handen een kelk en een brood. Hij staat op druiven, waarin een banderol met de tekst: MELCHSIDECH. Links van het altaar in de absis.

Glas-in-lood, ca. 1951. Afbeelding van het Offer van Abraham, met boven aan Abraham, die door een hand uit een wolk bij de schouder wordt tegengehouden, hieronder een banderol met de tekst: ABRAHAM. Hieronder Isaak op een takkenbos.

Rechts van het altaar in de absis.  Glas-in-lood, ca. 1951. Drie vensters, met centraal een duif, waaronder een lelietak, die een draak steekt en de tekst: GA UIT VAN HEM ONREINE GEEST. Links staat een engel met een kind in een wit kleed en de tekst: ONTVANG HET

WITTE KLEED. Rechts staat een engel met een kind en een kaars in de handen en de tekst: ONTVANG DE BRANDENDE KAARS.

In de doopkapel. Afgebeeld zijn onderdelen uit de doopliturgie.

Glas-in-lood, J. van Groenendael-Wielders

Afbeeldingen. Glas-in-lood, J. van Groenendael-Wielders (Lily Wielders), 1950. Centraal zit Maria met Kind, terwijl boven haar twee engelen zweven en voor haar twee mannen knielen. In het raam links staat een herder, rechts een koning. Aan de westzijde boven de zangtribune. In 1950 kreeg de dochter van de architect toestemming om een raam te maken, maar toen de BBC het resultaat kwam bekijken, viel de kwaliteit van het werk tegen. Bovendien was het in een ander venster geplaatst dan was afgesproken en was niet een door de BBC goedgekeurde glazenier ingeschakeld voor de uitvoering.

Glas-in-lood, J. van Groenendael-Wielders (Lily Wielders), 1951. Hemelvaart van Christus. Centraal is Christus afgebeeld, die door twee engelen wordt begeleidt. Hieronder staan aan weerszijden 10 apostelen. Onderaan staan Maria en Petrus. In het raam links staat een apostel met daaronder de tekst: GELIJK GIJ HEM / TEN HEMEL / ZAAGT OPVAREN / ZO ZAL HIJ / WEDERKOMEN / ALLELUIA. In het raam rechts staat een apostel met daaronder de tekst: MANNEN VAN / GALILEA / WAT STAAT GE / NAAR DEN / HEMEL TE / STAREN. Als gevolg van de strubbelingen bij het eerste raam kreeg Wielders geen toestemming tot het maken van dit raam, tenzij ze alsnog een meer ervaren glaskunstenaar om bijstand zou vragen. Nadat Harrie Schoonbrood hierin toestemde, kreeg Wielders de benodigde toestemming om verder te werken.

Glas-in-lood, J. van Groenendael-Wielders (Lily Wielders), 1951. Centraal staat een Calvariegroep met Maria en Johannes onder het kruis. Hieronder een banderol waarop staat: MOEDER ZIE DAAR UW ZOON / ZOON ZIE DAAR UW MOEDER.

Hieronder een groep mensen, waarin onder meer Romeinse soldaten. In het raam links een staande profeet met banderol: ISAIAS. Rechts een staande profeet met banderol: JERAMIAS.

Oorlogsschade

De Duitsers bliezen de kerk op in de nacht van 14 op 15 november 1944. Voordat de Duitsers de kerk opbliezen, verzekerden ze hier, zoals op zovele plaatsen, dat het alleen om de toren ging. Daarom schreef de volksironie op een deel van de ruïne van het aan flarden geschoten kerkgebouw de woorden van de officier van het ‘Sprengcommando’:  “Aber der Kirche passiert nichts”. Overigens werd met uitzondering van de banken, het harmonium en de twee gestolen klokken, de gehele inventaris van de kerk gered.

Bron: Verwoeste kerken in Limburg/ A. van Rijswijck, pr.
Reliëf, keramiek, R. Rats, 1948-1949

Staande Barbara met een toren in haar linker- en een kelk in haar rechterhand. Boven de toreningang aan de buitenzijde.

Stenen

Eerste steen, 1948. ekst: [GEBOUWD DOOR J. DE FAUWE 17 MEI 1923 / DOOR OORLOGSGEWELD VERWOEST, 15 NOVEMBER 1944 / HERBOUWD DOOR H. SCHIPPERS, PASTOOR 28 NOVEMBER 1948] In de absis? Bij de inventarisatie niet gevonden. De tekst is een in de literatuur gevonden vertaling uit het Latijn.

Gevelsteen, 1953. Tekst: ANNO 1953. In de toren, boven de ingang aan de buitenzijde.

Tabernakel, koper, XXc Op de deuren staat in reliëf centraal een kelk met hostie, die wordt geflankeerd door twee knielende engelen. Boven en onder staan wolken afgebeeld. Op het sacramentsaltaar. Op een afbeelding van voor de oorlog staat een ander tabernakel afgebeeld. Waarschijnlijk is dit verloren gegaan.

Wandschildering, H.M. Kluytmans, 1961

Centraal zit een jonge Christus, met aan zijn rechterzijde een Alpha en Omega, aan zijn linkerzijde het boek met de zeven zegels. Op de hoeken zijn de vier evangelistensymbolen afgebeeld met vleugels in een gestileerde vorm. In de absis. De toestemming van de BBC werd in 1961 gegeven. In een begeleidende brief aan de BBC werd de symboliek verklaard vanuit de Apocalyps: Openbaring van Christus (Ap. 17,8); de dieren (Ap. 4,6); getuigend van zichzelf (Ap. 1,8); de zegels van het boek openend (Ap. 6,1). Niet uitgevoerd werden ontwerpen voor de spaarvelden onder de concha: de Engels der Kerk (Ap. 1,20) met aan weerzijden kronen en citers, waarmee de 24 oudsten van het volk worden bedoeld. (Ap. 5,8).