Limburg land van de schutters

0 Comment

uit: limburg dierbaar oord Door Bertus Aafjes

 

Een volksfeest is een gecompliceerde zaak.

                     Het is een boom met veel vertakkingen en geheel eigen bladeren. Er zijn geen twee volksfeesten hetzelfde. Het ene volksfeest verschilt even volslagen van het andere volksfeest als een wilg van een eik, een peer van een pruim. Zoiets bemerkt men als men langzamerhand Limburger wordt.

                     Die in het Noorden zeggen: De Limburgers houden van feesten. Het is waar. Natuurlijk is het waar. Maar het is ook een beetje een dooddoener. Het kan zowat van alles betekenen. Die daar in Limburg zijn niet zo ernstig als wij, het geld zit de jongens daar losser in de broekzak, geef ze een feestneus en ze grijpen het hele hoofd, wij gaan nog niet naar huis, nog lange niet, enzovoort.

                     De noorderling (en zeker de noorderling uit de grote steden) denkt in zulke vage termen over de feestende Limburger omdat hij volstrekt niet meer weet wat een volksfeest is.

                     Een volksfeest is een sociale gebeurtenis met een streng eigen ritueel. Het is geen loze pret, geen gein zonder meer. Het is een vreugdevolle belevenis van gans een volk.

                     Rampzalig is het volk dat deze belevenissen niet meer kent.

Jaren geleden las ik een merkwaardig uittreksel in De Volkskrant Daarin werd uitvoerig geciteerd uit een nummer van Ruslands invloedrijkste partij-tijdschrift de Konmmunist Kameraad Kryvelof verklaart in de Kommunist dat de Russen zulk een gebrek aan feesten hebben dat zii. alhoewel ongelovig. de kerk binnenlonen feesten hebben dat zij, alhoewel ongelovig, de kerk binnenlopen om er religieuze plechtigheden bij te wonen. Dat komt, zegt Kryvelof, ‘omdat wij er nog steeds niet in geslaagd zijn het leven van alle dag op te fleuren met ceremonies, die zowel kleurrijk als plechtig genoeg zijn om de religieuze gebruiken en tradities te vervangen.’

                     Kryvelof stelt dan een aantal nieuwe feesten voor: de

verjaardag van een fabriek, collectieve boerderij of stad, feest ter gelegenheid van de succesvolle afsluiting van het economische jaar, feest ter gelegenheid van de voortijdige vervulling in een fabriek van de produktienorm van dat jaar enzovoort.

                     Hier is Kryvelofs lijst van feestjes voor de sovjetmens: `Geboortedag, begin van zijn schooltijd, toetreding tot de communistische jeugdbeweging, ontvangst van de partijkaart, afsluiting van de schooltijd, ontvangst van het eerste loonzakje, oproep van de militaire dienst, terugkeer uit het leger, begin van zijn hogere studies, einde van de hogere studies, huwelijk, zilveren bruiloft, gouden bruiloft, onderscheiding of eervolle vermelding, pensioen en tenslotte de begrafenis.’

                     We zijn er. De begrafenis als slotfeestje lijkt mij ietwat macaber als men toch niet in een hiernamaals gelooft en er dus hoegenaamd niet meer bij is betrokken. We zijn er overigens nog hoegenaamd niet meer bij is betrokken. We zijn er overigens nog niet. De dichters moeten volgens Kryvelof nieuwe feestgedichten maken voor de feesten, de componisten moeten liederen componeren, de feestjes moeten met hun nieuwe ceremonieel op film, grammofoonplaat en band massaal gedistribueerd worden, zodat iedereen de nieuwe feesten leren kan. En Kryvelof besluit: `Onze riten en festiviteiten moeten boeiender en mooier worden dan die van de Kerk. Zij moeten beter van opzet zijn en meer ruimte aan de verbeelding laten en tenslotte moeten zij een grotere indruk in de herinnering achterlaten.’

                     De reactie van vrijwel iedereen op Kryvelofs feestprogramma zal zijn: een programma om te huilen. Vooral als men bedenkt hoe prachtig de Russen eenmaal feest konden vieren, getuige het feestelijk oeuvre van een Marc Chagall die zoveel feestelijk Russisch leven uit zijn herinnering heeft opgediept. Maar de schilderijen van Chagall tonen dan ook echte feesten. Feesten, oeroud als de gemeenschap zelf. De zonnige dagen van een volk. In Rusland echter heeft men de volksfeesten, willens nillens, uitgeroeid. Omdat zij samenhangen met de godsdienst. Echte feesten doen dit altijd, of zij nu gevierd worden in het oerwoud of in de beschaafde wereld. Een feest is een wezenlijk religieuze aangelegenheid. Om werkelijk te kunnen feesten moet men boven zichzelf kunnen uitstijgen. Om boven zichzelf te kunnen uitstijgen moet men in eeuwige waarden geloven. Men moet een ogenblik tijdeloos kunnen leven. Gelooft men niets meer, dan kan men niet meer feesten. Men kan hoogstens de tijd doden.

                     Al die heerlijke feesten hangen samen met het geloof. Kerstmis en Pasen. Sinterklaas en Sint-Maarten, carnaval en de Sacramentsprocessie, de feesten van harmonie, schutterij en zangkoor, de aloude kermis en het Eerste Communiefeest. Al deze feesten worden uitbundig in Limburg gevierd. Al deze feesten hebben ook een geheel eigen karakter. De Sacramentsprocessie gelijkt in niets op carnaval, de plechtigheid van de Eerste Communie in niets op het groot Schuttersfeest en toch zijn het loten van dezelfde stam. Wie zegt dat de Limburgers het feesten zo goed verstaan, zegt een mond vol. Maar het is een mond vol vaagheid. Limburgers verstaan het feesten zo goed omdat zij de ernst van het feest nog verstaan. Bijna alle Limburgse feesten zijn voor een deel bloedernstige aangelegenheden (Communiefeest, Sacramentsprocessie). Of zij hangen samen met ernstige aangelegenheden (het Schuttersfeest). Ja, zelfs het carnaval is niet onernstig. Het carnaval is namelijk zo consequent niet ernstig dat het als zodanig een ernstige aangelegenheid is.

Is feestvieren een ernstige aangelegenheid, het niet meer kunnen feestvieren is een nog veel ernstiger aangelegenheid. Waar weet men nog feest te vieren in onze grote steden? Waar in de meeste van onze noordelijke provincies? Het begrip volksfeest is er nagenoeg verdwenen. Men weet zelfs niet meer vanuit de verte wat het inhoudt. Abusievelijk identificeert men het met lol, gein, dancing, jukebox. Het werkelijke volksfeest is iets geheel anders. Men moet daarvoor afdalen naar een provincie als Limburg, die nog tientallen volksfeesten kent. Een van de mooiste – waarschijnlijk het mooiste van geheel Europa – is het groot Schuttersfeest.

Want een groot Schuttersfeest is zo iets unieks en onvergetelijks van kleur, van klank, van stijl, van beweging en van allure dat men tevergeefs elders in onze folklore naar zijn weerga zal zoeken. Zulk een schuttersfestijn dat jaarlijks om zo te zeggen enkele malen op de drempel van iedere Limburger plaats vindt verenigt in zich alle delicatessen van de vele kunsten waarvoor de noorderling bereid is mijlenver naar de grote stadsschouwburg te reizen. Het verenigt in zich de komische noot van de komedie, de dartele noot van het ballet en de muzikale noot van de opera.

Hebt gij wel eens een ganse middag op de schuttersweide doorgebracht, waar de tientallen schutterijen elkaar, met de tanden opeen, de bef proberen af te steken? Hoornblazers blazen met hoornblazers om het schoonst wie de eerste prijs in de wacht sleept. Tambour na tambour roert bezweet de trom om de hoogste eer. Troep na troep marcheert, exerceert, presenteert het geweer en stort zich uit over het gras in edele wedkamp, waarbij echte reserve-officieren uit ons echte leger op puntenlijsten punten geven. Waarlijk het geheel heeft iets episch, iets homerisch-episch al moet men af en toe ook achter zijn hand iets van een homerisch gelach onderdrukken, wanneer men ziet hoe de commandant manhaftig zijn sabel heft en gespannen langs het glinsterende metaal spiedt of zijn mannen messcherp in het gelid staan. `De schutterij’ is in de allereerste plaats een oergezonde sport en ontspanning. Laat u niet van de wijs brengen door de kwaadsprekers die sneren: `zangerie, harmonie en schutterie, het is allemaal zuperie.’ Natuurlijk blijft zo’n schuttersfeest niet droog. En natuurlijk is een schutter niet vies van bier. Wat wilt u? Het is een volksfeest en heeft u ooit van een volksfeest gehoord dat kurkdroog bleef?

Laten wij eens een kijkje nemen op een groot schuttersfeest in midden Limburg. In Leveroy.

                     Het is de eerste juli van het jaar 1961.

                     Het is de warmste dag van het jaar. De zon laat een gouden moker neerdalen op de lage landen. Reuzen bezwijken vandaag. En mensen verdrinken vandaag. Maar het Oud-Limburgs gaat door. De honderddrieëndertig schutterijen treden aan uit Nederlands en Belgisch Limburg.

              Over straten van vuur komen zij roffelend nader, zwemmende in hun zweet als patates frites in de olie.

              Een Limburgs spreekwoord zegt: ‘Een druppel zweet van een kantonnier is goud waard.’ Wat een kantonnier is? Wel, dat is de man, die zo bedachtzaam in de berm van de weg met het onkruid onderhandelt.

                     Ik weet niet welke waarde de druppel zweet van een Limburgse schutter heeft, maar als hij ook maar enige goudwaarde bezit, dan vloeien op het Oud-Limburgs vandaag al ‘s werelds goudreserves weg en springen al ‘s werelds banken.

                     Waar dat goud dan wel heenvloeit? Naar de bierbrouwerijen, denk ik. Twee brouwerijen uit de streek, wier naam gij misschien voor het eerst hoort, laven de dorstigen. Hun brouwerswagens onderhouden estafettediensten tussen brouwerij en schutterswei. Huygens bier uit Horn (vergeelde reklameplakkaat: een schone van vijftig jaar terug, hangende over een ton) en Strampoyer pils. Twee voortreffelijke bieren. Twee bieren, die ver boven hun eigen kunnen uitstijgen, op zulk een formidabele hete dag. Ook een dorpje als Leveroy doet dat. Ooit van Leveroy gehoord? Neen. Het telt nog geen drieduizend zielen.

                     In een dorp als Leveroy spreekt men nog van zielen. Of parochianen. De zuigeling is er een even grote ziel als de grijsaard. En iedere ziel telt er.

                     Welnu, die van Leveroy met hun bijna drieduizend zielen hebben al jarenlang een aantal fameuze schutters. Die schieten geen bokken. Die schieten raak. De laatste jaren hebben zij telkens weer bijna het Oud-Limburgs gewonnen. Het vorig jaar lukte het dan definitief. En aangezien de winnaar van het Oud Limburgs het jaar daarop het Oud-Limburgs organiseren mag, was Leveroy dit jaar gastheer van al Limburgs schutterijen.

                     Wat dat zeggen wil voor zulk een kleine gemeenschap? Iets bovenmenselijks. Er komen meer dan honderd schutterijen uit de beide Limburgen. Dat zijn zesduizend schutters. Die moeten defileren, excerceren, schieten, trommelen, hoornblazen. Daar worden wel veertigduizend bezoekers bij verwacht. Die moeten eten kunnen en drinken. Plotseling verdertigvoudigt, ja verveertigvoudigt zulk een dorp zich op een gloeiende zomerdag. Het moet een ongekende verkeersstroom verwerken. Weiden worden herschapen in parkeerterreinen en wagenparken.

                     Iedere ziel uit Leveroy moet zich geheel inzetten wil zo’n feest slagen. En het slaagt volkomen. Weer een bewijs hoe feesten als de schuttersfeesten door heel een Limburgse gemeenschap gedragen worden. Het Oud-Limburgs heeft dan ook niets te gedragen worden. Het Oud-Limburgs heeft dan ook niets te maken met opgewarmde folklore. Met folklore uit de broeikas. Het is even levensecht als een forel in de Geul.

Acherm, men zou bijna medelijden krijgen met zo’n klein dorp. Wandelt men er door heen in de morgenuren dan lijkt het waarachtig op het nederige Nuenen van Vincent. Lage boerderijen, gehurkt onder de hitte. Leveroy is niet eens een eigen gemeente. Het behoort toe aan drie gemeenten: Heythuizen, Baexem en Nederweert. Het heeft een kerk, iets wat op een straat gelijkt en boerderijen, in het land verspreid. De kerktoren is nu wat hoger dan de zestiende-eeuwse bakstenen toren die in de jaren twintig van deze eeuw (helaas) werd afgebroken.

                     De Leverooiers kregen heel wat te slikken over hun lage toren. In de omliggende gemeenten zei men dat de toren bij regenweer onder de poort van een boerderij te schuilen werd gezet. En die van Nederweert, om te bewijzen hoe laag de toren van Leveroy was vergeleken bij hun toren, kwamen met een lange bonestaak afzakken om er de wijzers van de Leverooise klok mee te verzetten.

                     Dat is niet gelukt.

                     Die van Leveroy hebben hen met zeisen en rieken teruggedreven en verslagen bij het ‘Witte Paard’.

Die van Leveroy weten dus van aanpakken. En dat hebben zij die eerste dag van juli bewezen ook. Wat een feest! Men komt eens te meer tot de overtuiging dat dit misschien het schoonste feest is dat Nederland kent. Dat dit misschien wel Europa’s schoonste feest is. Het kent nauwelijks zijns gelijke aan kleurenpraal en kleurenpracht. De middeleeuwers herleven, en de oude Oostenrijkse, Spaanse en Napoleontische slagvelden. Onbloedig gelukkig. Want de schutterijen die eens de eigen gemeenschap gewapenderhand moesten verdedigen hebben reeds lang een vredelievende functie verworven in de eigen gemeenschap. Maar nog steeds zijn zij de ruggestreng van vele Limburgse gemeenten. De schutterijen zijn het zout van ieder feest, wereldlijk en geestelijk. Wat is een Limburgse processie in het heuvelland zonder schutterij? Een gemeenschap zonder ruggegraat.

                     Dit zou een Amerikaan met koopmanszin moeten zien. Hij zou heel het Oud-Limburgs voor een dag opkopen, om er de fraaiste kleurenfilm van de eeuw mee te maken. Want er ligt daar, op die ene straat die Leveroy telt, voor een miljoen aan kleur op straat. Welk een vermogen zou het Hollywood kosten om al deze wonderlijke tenues met epauletten, kolbakken, ministersteken, hanenstaarten, bij de kostuummaker te bestellen. En dat wandelt hier zo maar door de velden.

                     Waarmee wij beslist de maker van Ben Hur niet uitnodigen naar Limburg. Hier moet een Nederlands regisseur een Nederlandse speelfilm komen draaien. De intrige zal hij weliswaar zelf moeten zoeken. Maar heel dat machtige decor van het schuttersfestijn vindt hij in Limburg zo maar op straat. Hij hoeft zijn cameramensen maar naar hier te sturen.

                     Vele schutterijen hebben in hun statuten opgenomen dat zij de Sacramentsprocessie behoren te begeleiden. En staat dit niet in hun statuten, dan doen zij dit toch. Enkele Limburgse schutterijen bezitten in hun schutterscorps de zogenaamde Bielemènnekes.

                     Bielemènnekes zijn wel de vreemdste snoeshanen die de Heer op de Limburgse wegen laat paraderen. Zij dragen reusachtige namaakbaarden, reusachtige leren voorschoten, reusachtige beremutsen met kokarden en reusachtige bijlen. Vandaar hun naam: Bijlenmannekens. Met hun bijlen lopen zij aan het hoofd van de schutterij. Zij waren er eertijds ‘tegen de protestanten’. Zo zei men het althans tot voor kort. Mochten die de processie iets in de weg leggen, dan grepen de Bielemènnekes in. Vandaag zegt men het in Limburg iets oecumenischer. De Bielemènnekes waren er tegen gewapende overvallen, tout court. Die dreigen er echter vandaag niet meer. De Bielemènnekes gaan daarom (naar ik heb horen verluiden) met hun bijl een houten paal te lijf die men langs de route voor de processie heeft aangebracht. In die paal zit een kruik jenever. Ter compensatie van het vergoten zweet.

                     Het Oud-Limburgs is voor iedere bezoeker begrijpelijk in zijn schoonheid en kleurenpracht. De wedstrijden die door de schutters en schutterijen onderling gehouden worden zijn dit echter niet zonder meer voor de bezoeker. Waarin bestaat de echter niet zonder meer voor de bezoeker. Waarin bestaat de kundigheid van het schieten? Waarop moet men letten bij de wedstrijd in oude excercitie? Wat maakt een generaal tot kampioen in de wedstrijd `modelste generaal’? Wat is excerceren en op welke gronden defileert een schutterij het mooist, excerceert haar excercitiegroep het best. Wat is een koning? Wat een keizer? Wie kan koningin zijn? Wie keizerin? Als men het Oud-Limburgs jarenlang bezoekt, verwerft men allengs wel een inzicht in deze zaken. Maar de bezoeker die voor het eerst de schutterswei betreedt, betreedt weliswaar een sprookjeswereld, maar de toverwetten die deze wereld beheersen ontgaan hem.

Iedere schutterij schiet jaarlijks de vogels af. De vogel is een houten namaakvogel boven op de schutterspaal. De wedstrijd in het koningschieten duurt vele uren lang. Wie het laatste restje hout van de top van de paal schiet is koning. Daar is veel toeval bij en veel geluk.

                     Soms is de koning de Abraham van de schutterij. Soms is hij de Benjamin. De koning loopt in jacket en met hoge hoed. Om zijn torso draagt hij het koningszilver, een harnas van zilveren plaketten die de eer uitmaken van de schutterij.

                     Om zijn hoge hoed draagt hij een zilveren loverkrans. Zijn koningin draagt een sleep en een zilveren loverkrans in het haar. Koning en koningin lopen gearmd in het hart van de schuttersstoet. Dat geeft bijna even zoveel aandoenlijke taferelen als er koningsparen zijn. Is de koning jong dan kiest hij meestal als koningin zijn bruid. Maar hij mag ook zijn moeder kiezen. Een stokoude koning kan zijn stokoude vrouw, indien zij nog wel ter been is, aan de arm nemen. Maar ook zijn jongste dochter.

                     De schuttersparen op het Oud-Limburgs behoren tot het allerschoonste wat er bestaat. Men ziet er de bonke keersekinderen van Guido Gezelle aan de arm van de vergrijsde Methusalem. Men ziet er blozende vrouwen van Rubens aan de armen van een boer van Ostade. Men ziet er de boerenbruiloft van Breughel in tientallen variaties.

                     Waar gij ook kijkt, gij ziet een schuttersstukje van een oude meester.

Een tambour ligt aan een bosrand van laag eikehout. Zijn hoofd rust op zijn trommel. Een kolbak hangt als een luifel over zijn ogen en neus. Hij slaapt aan de rand van de schuttersweide. Hij is er mijlen van verwijderd.

                     Het is een schuttersstukje van Ostade.

Een generaal slaat een glas bier achterover. Een zijtak van de bierstroom belandt in zijn open kraag. Zijn gezicht glanst als een koperen pot. De grote witte veder op zijn generaalshoed is bevangen door de warmte. De man kan niet meer denken. Het bier denkt voor hem. Men hoort het denken, zacht en lispelend, met de fijne hersens van zijn kraag van bierschuim.

                     Het is een schuttersstukje van Frans Hals.

In de schaduw van een tent zit een oude schutterskoning. Het is moordend heet, maar hij heeft zijn koningszilver niet afgelegd. Ook zijn hoge hoed heeft hij niet afgedaan: hij zit eronder als een zwarte boomstronk met zilveren bladeren. Dit is de oude Philemon, veranderend in een boom. Hoe warm het is, ziet men aan zijn ogen: die staren violet-wit naar het licht buiten de tent. Het zijn de ogen van een uil die verrast is door het daglicht. Een uil die niets ziet. Die alleen maar is wat hij is: de koning van de nachtdieren, verdwaald in het licht.

                     Dit is een schuttersstukje van Rembrandt.

Een verliefde trommelaar kijkt zo diep in de ogen van zijn toekomstige boerenbruid, dat hij zich vast moet houden aan een pereboom wil hij niet omvallen. Een ogenblik tevoren heeft hij zijn kolbak schuin op het blonde haar van zijn geliefde gezet. Om zijn verliefde blik te beantwoorden moet zij haar ogen een kwartslag draaien in de schaduw van de kolbak. Zij kijkt scheel als een kinderpop, wiens ogen in het ongerede zijn geraakt.

                     De zon staat boven hun beider hoofden even stil om een momentopname te maken.

                     Dit is een schuttersstukje van Pieter Breughel.