De watermolen

0 Comment


Bron: Stichting historisch onderzoek weert
Door: Cor Tubée
Bekijk het hele rapport

De Tungelroysebeek was vroeger van groot belang voor Midden-Limburg wegens de vele watermolens die op of nabij de beek gelegen waren.  Deze zorgden er onder meer voor dat de bewoners van het Land van Weert, het Land van Thorn en Het graafschap Horn van het nodige brood  werden voorzien. Eén van deze molens, centraal gelegen in de streek, was de molen van Leveroy.

Inleiding

In vorige eeuwen lagen er vele watermolens aan de Tungelroysebeek, die in Noord-Brabant in de omgeving van Budel ontspringt,  bijna geheel Midden-Limburg doorkruist en bij Neer als Neerbeek in de Maas stroomt. Een van deze molens lag nabij de boerderij Oudenhof ten zuiden van Leveroy en werd in 1879 gesloopt. Wanneer daar een molen werd opgericht, is niet bekend, maar vaststaat dat in 1244 hij Leveroy reeds een watermolen lag.’ Het dorp Leveroy behoorde voor het grootste gedeelte tot de heerlijkheid Nederweert, en voor een belangrijk deel tot Heythuysen, dat in het graafschap Horn lag.

Een klein gedeelte van Leveroy, waar ook de watermolen gelegen was, behoorde tot Baexem dat samen met Grathem één van de vier kwartieren van de Rijksheerlijkheid Thorn vormde. De abdis van Thorn bezat er het recht van molendwang, hetgeen inhield dat ingezetenen van de heerlijkheid

niet daarbuiten mochten laten malen. De molen was gesitueerd in het noordwesten van Baexem in de Beemderhoek bij de boerderij Oudenhof aan de Tungelroysebeek, soms ook Leveroysebeek of Heythuyserbeek genoemd. Bij de molen lag een brug, die de dorpen Baexem en Leveroy verbond.

 

Eigenaren

Op 20 januari 1293 vond tussen Johannes van Leyverloe en zijn zusters Erkenrade en Margareta de verdeling plaats van hun ouderlijke goederen,  waaronder de watermolen bij Leveroy. De molen kwam in het bezit van Johannes van Leyverloe.’ Johannes, plebaan van Thorn, maande op 20 maart 1331 Elisabeth,  de weduwe van Johannes van Leyverloe, de erfpacht op de molen van Leveroy over de laatste twee jaar te betalen.

Deze bedroeg 6 1/3 malder rogge Wessemer maat per jaar. Bleef zij hierin nalatig dan zou zij niet haar vier zonen Johannes, Nicolaas, Reynold en Theodosius  in de kerkelijke ban gedaan worden.’ Een week later gaf Reynaldus de Filiis Ursi, de aartsdiaken van Kempenland in het bisdom Luik, te kennen dat dit bij verdere nalatigheid inderdaad zou gebeuren. Op 2 januari 1332 sprak hij de excommunicatie over Elisabeth en haar zonen uit en gaf de geestelijkheid in het aartsdiakenaat opdracht hem bij de uitvoering daarvan behulpzaam te zijn.’ Op 8 juni van hetzelfde jaar droeg de aartsdiaken de priesters van het aartsdiakenaat nog op de excommunicatie niet alleen streng toe te passen, maar zelfs te verzwaren door de nalatigen niet alleen buiten de kerk re houden,

maar alle gemeenschap niet hen te verbieden.’

Het is niet bekend hoe dit afgelopen is, maar vermoedelijk zal Elisabeth wel betaald hebben. In 1340 kwam  Willem van Horn immers met haar zoon Jan overeen dat de laatste het visrecht op het riviertje dat langs zijn hof te Leveroy (de Oudenhof) stroomde,  samen met andere goederen van hem in leen zou houden. Het visrecht gold stroomopwaarts tot zover het goed reikte en stroomafwaarts tot aan het goed op gen Schoor.’

Margaretha van Horn, abdis van Thorn, droeg op 8 maart 1386 de molen en bijbehorende rechten te Leveroy in erfpacht over aan Godefridus van Horrick, nadat Wilhelmus van Eyl, een rechtsopvolger van de familie van Leyverloe, door de schepenen van Thorn uit zijn rechten was ontzet, omdat hij in zijn betalingsverplichtingen nalatig was.

Godefridus zou gehouden zijn jaarlijks tijdens de paasdagen, te beginnen in 1387, 4 malder rogge te leveren aan de abdis of haar rechtsopvolgsters. Bepaald werd verder dat Godefridus en zijn rechtsopvolgers de molen in goede staat zouden houden en teruggeven, ingeval het in pacht houden van de molen niet langer gewenst was.

Toch schijnt de molen in handen van de familie Van Eyl gebleven, dan wel opnieuw gekomen te zijn, want op 1 februari 1398 droegen ridder Zybrecht van Eyl

en zijn broer Tyelman van Eyl hun hoeve te Leveroy ten overstaan van de abdis van Thorn over aan het klooster Sint-Elisabethsdal te Nunhem.(8)

Het door caulieten bewoonde klooster was gesticht in het begin van de dertiende eeuw en werd in 1435 opgenomen in de congregatie van Windesheim.

Volgens een in 1684 aangelegd register verpachtte de prior van dit klooster de molen in 1440 erfelijk voor 4 malder rogge per jaar. Daarenboven moest jaarlijks aan de abdis van Thorn voor het gebruik van het beekwater een vergoeding van 20 vaten koren betaald worden.’

Tussen 1440 en 1684 moet de molen afgebrand zijn, want volgens het eerder genoemde register van 1684 was het klooster genoodzaakt de molen na een brand opnieuw op te bouwen. Voorwaarde was wederom dat voor de waterstroom aan de abdis jaarlijks 20 vaten rogge Maaseiker maat  betaald moesten worden, verschuldigd met Pasen.

De molen werd niet exact op dezelfde plaats opgebouwd, maar meer naar het westen aan de andere zijde van de brug, zoals te zien is op een kaart uit 1786. De legenda bij nummer 42 vermeldt ‘De tegenwoordige moolen van St. Lijsbet’ en bij nummer 44 ‘de oude moolenplaetse’,

Pachters en gebruikers

Jacob van Horn stond op 26 mei 1441 tot verbetering van de Oudenhof te Leveroy aan het klooster Sint-Elisabethsdal een aandeel  in het gebruik van de gemene gronden in de bank Wessem toe”(10), welke gronden wel onder helpen gelegen zullen zijn. Op 21 maart 1446 zette Jacob van Horn een oude gewoonte in het Land van Weert om in een privilege, inhoudende dat de watermolens te Leveroy, Tungelroy en Heugten slechts mogen malen vanaf Sint-Remigius (1 oktober) tot half maart, in welke periode de molenaars derhalve water mochten schutten.(11) Het privilege werd gegeven om wateroverlast en overstromingen van landerijen in het Land van Weert zoveel mogelijk te beperken. De heer  van Horn was weliswaar voogd van Thorn, maar men kan zich afvragen of hij wel bevoegd was dwingende voorschriften uit te vaardigen met betrekking tot molens, die buiten zijn eigen rechtsgebied waren gelegen.

Aangezien haar gebleken was dat de inwoners van Baexem dagelijks buiten het grondgebied van de Rijksheerlijkheid Thorn lieten malen, gebood de abdis op 24 december 1674 de ingezetenen van i3aexem om voortaan hun verplichting na te kinnen om in molens in de heerlijkheid te laten malen, zoals die van Leveroy of Grathem. Overtredingen zouden in het vervolg streng bestraft worden. De prior of door hem aangestelde boden moesten overtredingen aan de abdis melden en het betreffende graan in beslag nemen (12)

watermolen1Op 31 augustus 1684 werd de molen voor zes jaar verpacht aan Peter Verhaegen voor 15 malder rogge en 6 malder boekweit. In 1690 werd hij als pachter voor acht jaar opgevolgd door Jan In gen Hooff, sinds 1686 halfman van de Oudenhof. Deze moest jaarlijks 16 malder rogge en 6 malder boekweit betalen, die voor  Pasen in het klooster afgeleverd moesten worden.(13)

Men had het recht de molen te malen van Allerheiligen rot Sint-Gertrudis (17 maart), zodat men de sluizen niet eerder mocht laten zinken dan op de dag voor Allerheiligen, en ze niet eerder mocht optrekken voordat de Gertrudismarkt te Neer afgelopen was.

Omdat er van diverse zijden, vooral door inwoners van Kelpen, klachten waren geuit over wateroverlast als gevolg van het schuiten der sluizen, liet het  klooster een onderzoek daarnaar instellen. Op 1.6 september 1714 maakte het klooster bekend dat het malen vanaf 1 november strijdig was met het in 1446 verleende privilege en dat voortaan vanaf Sint-Remigius (1 oktober) gemaald mocht worden. Naar aanleiding van de vrees van de inwoners van Kelpen dat hun landerijen onder water zouden komen te staan, gaf de prior op 18 januari 1715 te kennen dat het klooster niet zou toelaten dat de molenaars het water in de maand oktober zo hoog zouden ophouden dat de Kelpenaren daarvan schade zouden lijden (14) op 17 oktober 1732 verklaar¬den de schepenen van Wessem  dat het molenbed nog altijd op hetzelfde hoogteniveau lag. (15)

Na het Ancien Régime

Onze gebieden werden per 1 oktober 1795 ingelijfd bij Frankrijk en bij de wet van 15 fructidor an 4 (1 september 1796) werd beslag gelegd op onder andere kloostergoederen. De bezittingen van klooster Elisabethsdal werden eind oktober 1796 door C. Bovier uit Maaseik geïnventariseerd.(16) Na de veiling van de kloosterbezittingen kwam de Leveroyse watermolen in het bezit van de familie Frencken en in 1837 kocht Gerardus Jacobus Livinus Vermeulen de molen voor 2.500 francs uit de onverdeelde familieboedel. Op 7 april 1841 verkocht hij de molen weer aan zijn ongehuwde broer en zuster Jan Eduard en Christina Jacoba Hubertina voor de som van 1.500 gulden.(17)

De Staatsraden, commissarissen belast met het voorlopig bestuur van de weer in bezit genomen

landstreken in Limburg, verleenden op 15 oktober 1840 aan molenaar Gerard Vermeulen vergunning onder voorwaarden om het houten buitenwerk en het molenbed  van de molen te vernieuwen. (18)

Blijkens een rapport van Provinciale Waterstaat van juli 1845 was omstreeks 18 17 aan de molen een nieuwe sluisbalk gelegd, die volgens enkele grondeigenaren oorzaak zou zijn van inundaties van meerdere beemden in het stroomgebied van de beek. Volgens Provinciale Waterstaat was

er in de jaren na het plaatsen van de nieuwe sluisbalk geen sprake geweest van overstromingen. Pas sinds enkele jaren kwamen er overstromingen voor en  deze waren volgens Waterstaat een gevolg van het droogleggen van vele heide- en moerasgronden in de gemeente Weert. De grachten en sloten die gegraven  waren om de gronden droog te krijgen, leidden al liet water naar de beek, die daardoor gemakkelijk kon overstromen, waar nog bijkwam dat de beek onvoldoende

gezuiverd werd. Een goede zuivering was dringend noodzakelijk, maar de problemen zouden pas echt adequaat opgelost kunnen worden door de sloop van de op de beek aanwezige watermolens. (19)

In 1845 ging de molen wederom in andere handen over en werden Pieter van Dijen en zijn vrouw Aldegonda Geenen, olieslagers aan de Looi te Helden, eigenaar voor de som van 1325 gulden.(20)’ Op hun beurt verkochten zij de watermolen in 1853 aan de Baexemer bruinbierbrouwer en jeneverstoker Conrardus Barrholomeus Canoy voor 700 gulden.(21)  Deze kocht ongeveer tezelfdertijd ook de windgraanmolen te Baexem van mevrouw De Keverberg d’Aldenghoor.

De watermolen werkte toen tijdens de wintermaanden, terwijl de windmolen het hele jaar kon malen. Van elke mud graan die de boer liet malen, mocht de watermolenaar 1/27 deel en de windmolenaar 1/16 deel scheppen. Hij kreeg zogenaamd ‘bij de schep betaald’.

De gemeente Baexem was van mening dat het betalen ‘bij de schep’ moest veranderen in betalen met geld. Bij vervoer door de molenaar zou dit 37 cent per  mud zijn en bij vervoer door de landbouwers 32. cent.(22) Op 2 september 1853 verleenden Gedeputeerde Staten van Limburg aan Canoy onder voorwaarden vergunning voor bet treffen van een aantal voorzieningen, waaronder het repa¬eren van grondwerken en het vernieuwen der sluisdeuren.(23) Op grond van liet Reglement op de niet bevaarbare, noch vlotbare rivieren, beken enz. in liet hertogdom Limburg werd 27 december 1856 proces-verbaal opgemaakt van opneming van de molen met bijbehorende sluis- en watermerken.

watermolen3

De afmeting der werken was als volgt, waarbij het vaste punt of verkenmerk:, zijnde een ijzeren bout, zich bevond in de zuidwestelijke gevel van het  molenhuis, op 1,36 cl van de noordwestelijke hoek en 0,86 el beneden de onderkant van de houten dorpel onder her vensterraam in die gevel:

– De lossingsluizen hebben vier openingen. In alle gevallen bedraagt de bovenkant van de grondark 3,02 el, de bovenkant der schuiven 1,94 el en de breedte der halen 0,12 el. Twee sluisopeningen hebben een wijdte van 0,82 el, de andere twee van 0,80 el.  Het midden der as van het waterrad

bedraagt 0,62 el, de radius van het waterrad lui de onderkant der schoepen 2,37 el, de breedte Jet schoepen 0,60 el en de hoogte der schoepen 0,30 el.

– Wat de maalsluis betreft bedraagt de boven¬kant van de grondark 3,02 el, de bovenkant van de schuiven 1,20 el, de wijdte der sluisopeningen 0,85 el en de breedte der halen 0,12 el. Het peil, aangevende de hoogte van het water waarop de eigenaar verplicht is de lossingsluizen te trekken, werd voorlopig  vastgesteld op 1,94 meter onder het vaste verkenmerk, welk peil aangeduid was door een ijzeren hout, geslagen in de planken beschoeiing aan de rechteroever van de heek, op 1,56 meter van de noordwestelijke hoek van het molengebouw.

De onderkant van de dekbalk der sluizen bevond zich op 0,29 meter beneden her vaste verkenmerk. De maalschuif bestond uit twee delen, een vast gedeelte hoog 0,53 meter en een beweegbaar gedeelte hoog 1,29 meter. Vermeld werd dat de molen slechts mocht malen van 1 oktober rot 15 maart, zulks ingevolge het reeds genoemde privilege van 21 maart 1446. (24)

Na het overlijden van Coenrardus Bartholomeus Canoy vererfden de watermolen en de standaardmolen van Baexem in 1859 aan zoon Jan Mathijs.(25)

Op 17 maart 1865 verzochten circa honderd grondeigenaren, wier eigendommen gelegen waren onder Swartbroek, Mildert, Leveroy, Kelpen en Ell, aan de minister van Binnenlandse Zaken om onteigening ten laste van de Staat van de watermolens te Swartbroek en Leveroy oftewel het leggen van zodanige duikers of waterlossingen beneden de molens als noodzakelijk zou blijken. Het ging hier om de verbetering van de afwatering van een grote uitgestrektheid laagland en plassen aan weerszijden van de provinciale weg Weert-Roermond. Deze zou eigenlijk gepaard moeten gaan niet een verbetering van de Ttingelroyse – beek en de zijtak van deze beek tot aan de Swartbroekermolen. Verder zou een nieuwe waterafleiding gemaakt kunnen worden in de gronden gelegen boven de Swartbroekerrnolen, waarvan het water nu in de plassen waarvan de molen het water gebruikte, verzameld werd. Het maken van waterleidingen en duikers beneden de molens was niet in praktijk te brengen zonder minstens een partiële verbetering van de bestaande waterlossingen, alsmede de lossingsmiddelen hij de molens. Een groot nadeel van watermolens was namelijk dat de opstuwing de afwatering van de stroomopwaarts gelegen landerijen bemoeilijkte.

De hoofdingenieur van Waterstaat gaf naar aanleiding van dit verzoek aan de Commissaris van de Koning te kennen dat de betreffende afwatering zeer gebrekkig  was en dat de enige mogelijkheid om daarin verbetering te brengen, de vorming van een waterschap was. Een en ander had tot gevolg dat Provinciale Staten op 5 november 1868 besloten tot de oprichting van her ‘Waterschap van het land van Weert’ ter verbetering van de Leveroyse, Swartbroekse en Tungelroyse beken.

De aanvankelijk voorgestelde naam `Waterschap Limburg’ was veranderd in Waterschap van het land van Weert’. Bij Koninklijk Besluit van 1869 werd het besluit van  Provinciale Staten goedgekeurd.(26)

Begin juni 1877 bereikte het waterschap met eigenaar Canoy overeenstemming over de aankoop van de Leveroyse watermolen met 10 are grond langs de beek voor de som van 2,500 gulden. Op 14 september 1877 werd dit besluit door Gedeputeerde Staten goedgekeurd en in 1879 waren de watermolen en alle bijhorende werken volledig gesloopt (27)

De volgende jaren zouden ook de watermolens van Tungelroy, Swartbroek en Heythuysen onder de slopershamer vallen en waren wateroverlast en overstromingen voor een groot deel verleden tijd. De industriële ontwikkeling heeft er tevens toe geleid dat watermolens hun economische functie gingen verliezen.  Van de negen watermolens die nog tijdens de negentiende eeuw op en nabij de Tungelroysebeek en de leerheek actief waren, zijn er nog maar twee die, uitsluitend om toeristisch-recreatieve redenen, malen, te weten de Leu- of Sint¬Ursulamolen in het Leudal en de Friedesse-molen in Neer.

Overigens lag in vroegere eeuwen ten oosten van de Leveroyse molen onder Baexem nog een andere watermolen langs de Tungelroyse-beek. Dit moet de molen van Dasselrode geweest zijn, die in 1244 eveneens al bestond.”

De molen was eigendom van de heer van Weert, Nederweert en Wessem en blijkens de rekeningen van zijn rentmeester werd zij in de jaren tachtig van de zestiende  eeuw niet meer verpacht, omdat zij totaal vervallen en gedeeltelijk al gesloopt was.”


Noten

1.         Habets .   De archieven van bet Kapittel der Hoog-adellijke Rijksabdij Torn.  Eerste deel, nr. 20 (‘s-Gravenpage 1889).

2 .        Habets, nr. 77.

3          Habets, nrs. 163 en 164.

4          Habets, nr. 165.

5          Habets, nr.  l66.

6          Rijksarchief Limburg Maastricht (= RAL. Archieven van liet klooster Sint-E1isahethdal te Nunhem 1240-1797 (= AEN), inv.nr. 77.

7          RAL, AEN,  inv.nr 77

8          RAL  AEN,  inv.nr 77

9          RAL, AEN,  inv.nr. 118.

10        RAL, AEN, inv.nr. 78.

11        Gemeente archief Weert(= GAW), Oud administratief archief Weert. inv.nr. 29.

12        RAL , AEN. inv.nr. 185.

13        RAL,  AEN, inv.nr. 118.

14        RAL,  AEN, inv,nr. 186.

15        RAL,  AEN, inv,nr, 188.

16        RAL,  Frans archief, inv.nr. 212.

17        GAW, Archief notaris A.L.W. H. Bloemarts te Weert, jaar. 1837, aktenrs. 28 en 108, en RAL, Archief notaris K.F. Lijden te Heythuysen, jaar 1841, aktenr. 30.

          Gerardus Jacobus Livinus, Jan Eduard en Christina Jacoba Hubertina waren kinderen van Sibert Vermeulen, geboren 7 april 1783 te Heythuysen en overleden aldaar op  9 januari  1821. en Elisabeth Jacoba  Tullemans.  Het echtpaar had nog twee kinderen, n.l, Maria Helena Philipina en Maria Anna Gertrudis, en was eigenaar van de watermolen, windmolen en oliemolen te Heythuysen.

18        RAL, Archief Provinciale Watersraar(=APW)„ inv.nr. 366. omslag 7.

19        RAL,  APW, inv.nr. 366, omslag 12.

20        Gemeentearchief Roermond, Archief notaris G,C.H,Guillon. jaar 1845, aktenr. 204.

          Broer en zus Verrmeulen verkochten dezelfde dag ook de windlgraanmolen, de water- en oliemolen en een woonhuis te Heythuysen, alsmede enkele percelen land onder Heythuysen en Haelen voor de som van 14.200 gulden aan Jan Jozef De LOUW, koopman en molenaar te Oss.

21        RAL, Archief notaris K.F. Gieten te Heythuysen, raar 1/.153, aktenr. 53.

          De familie Canoy was een notabele familie in Baexem. Conrardus Bartholorneus werd als zoon van Jacobus en Anna Maria Hulskens op 14 april 1799 te Baexem geboren en overleed aldaar op 7 februari 1857. Hij trouwde op 1 september 1828 te Ohé en Laak met Maria Ida van Laar, geboren op 17 oktober 1805 te Ohe en Laak en overleden op 12 november 1883 te Baexern.

22        J.H.J. Berghs, Uit Baexem’s oude verleden Baexem 1970 98.

23        RAL  Archief Provinciaal bestuur van Limburg (=PBL) inv.nr. 406.1.

24        RAL. PBL, inv.nrs, 7713 en 7714.

25        Jan Mathijs Canoy werd op 13 juli 1836 te Baexem geboren en overleed op 26 januari 1916 te Weert. Hij trouwde op 17 mei 1877 te Stramproy met Maria Catharina Elisabeth Donders,
geboren op 27 mei 1850 te Stramproy en overleden op 2.3 juni 1928 te Baexem.

26        RAL, PRI, invatr. 7653. In 1937 werd het Waterschap van het land van Weert opgeheven en      ging her gebied van dit waterschap ressorteren onder het nieuwe Waterschap Midden-   Limburg.

27        RAL. PBL inv.nrs. 2977 en 7654,

28        Habets, nr, 20. Volgens Jan Berghs lag deze molen hij ‘de Kaidder’ ten noorden van het              Schoorveld.  Zie hiervoor: Rondom het Leudal  9 {apr 1984) nr. 33.

29        RAL,  Archief Gelderse Rekenkamer te Roermond, plnr. 607 e.v.