plattelandsvrouwen: hun arbeid werd niet geteld

0 Comment


Bedrijf en gezin overlapten elkaar. Vrouwen op het boerenerf wisten van aanpakken in voor- en achterhuis. Ze stonden hun mannetje maar hun arbeid werd niet geteld. Portret van een eeuw plattelandsvrouwen ‘in schort en overall’.

Door John van Miltenburg

De foto is precies vijftig jaar oud. Een stukje boerenromantiek uit een familie-album. Een jonge vrouw giet de melk van een pas gemolken koe door een zeef in een melkbus. De koeien op de achtergrond kijken nieuwsgierig toe. De foto is blikvanger van de tentoonstelling ‘In schort en overal over honderd jaar vrouwenarbeid op het platte-land. De jonge vrouw op de foto is de nu 67-jarige Mien Hermans uit Leveroy bij Nederweert.

Als zeventienjarige molk zij met oudere-zussen regelmatig de koeien. Haar ouders hadden negen kinderen. Die moesten allemaal meewerken op de boerderij. „De oudsten hielpen bij het zware werk. Er was ook een knecht. De jongste kinderen deden kleine karweitjes zoals hout binnenhalen. En bij het oogsten achter de binders korenaren oprapen. Elektriciteit was er niet. Voor de oorlog hadden we een carrousel met twee paarden die een dorsmachine aandreven. Wij liepen achter de paarden aan.”

Het werk op het boerenerf kwam vroeger altijd handen tekort, zo leert de reizende expositie, een initiatief van de Werkgroep Vrouwen in de Landbouw Wageningen. Alle gezinsleden moesten voor klussen inspringen. Vrouwen Hadden van ’s morgens vroeg tot ‘s avonds laat een taak in huishouden, gezin en bedrijf.
Kenmerkend voor honderd jaar vrouwenarbeid op het boerenerf is dat de werkzaamheden voor het bedrijf en gezin voortdurend in elkaar overliepen, dat de omvang en betekenis van het werk vrouwen op de boerengezinsleven tot op de van vandaag economisch is onderschat.

In foto’s en verhalen, ingestuurd na oproep in agrarische bladen, vertellen plattelandsvrouwen zelf hun herinneringen. Ze poetsen daarmee het onterechte beeld op van de landbouw als mannendomein waar de zweetdruppels van vrouwen economisch gezien, generatie op generatie niet telden. Met de term ‘inspringwerk’ definiëren Dieneke van Zwieten en Karin Wolffenbuttel, die de expositie samenstelden, de arbeid van boerinnen in het achterhuis of op het land.

Schoffelen op het veld, meehelpen bij het binnenhalen van het hooi, de zorg voor het jongvee en groententuin, kaas maken, de fruitpluk waren naast het inmaken van de wintervoorraad voedsel en eten koken voor een groot gezin de gewoonste zaak van de wereld. Het ochtendprogramma van een boerin in 1929 (geen waterleiding, geen elektriciteit, geen telefoon): „Om vijf uur als eerste op. Het vuur aanmaken. Water opzetten, tafel dekken. Melken. Kalveren en varkens voeren. Water koken en het melkgerei schoonmaken.’

Op het gemengde bedrijf (koeien, varkens. kinnen, wei- en akkerland) waar
Mien Hermans uit Leveroy opgroeide was altijd werk. „In de crisisjaren was het heel slecht. Mijn vader zei vaak: ’Mijn kippen hebben me er bovenop geholpen’. Op de slaapkamer stond een broedmachine waarmee hij zelf kuikens uitbroedde.”

Eten was er vóór de oorlog genoeg. Vlees en melk van de eigen veestapel. „In het bakhuis bakten we eens per week zelf brood. En vlaai voor zondag. De mik smaakte vers wel lekkerder. Het was hard werken maar evengoed een mooie jeugd. In de mobilisatietijd zat de schuur vol met ingekwartierde soldaten. Daar hebben we nog kennissen aan overgehouden.”

De eerste oorlogsjaren op de boerderij in Leveroy verliepen vrij rustig. „Moeder maakte met boterkarnen zelf roomboter die ze ruilde in de stad. Daar kreeg ze vaker iets mee los dan met bonnen en geld.” Het laatste oorlogsjaar trok diepe sporen. Twee maanden lag de boerderij in de frontlinie.

Mien Hermans: „De Duitsers werden steeds grimmiger. Bij razzia’s pakten zij alle mannen op. Mijn vader en oudste broer zijn ook meegenomen. Maandenlang hebben we niets van hen gehoord. Moeder trok een paar dagen later met acht kinderen naar familie aan de andere kant van het kanaal. Later pakte zij samen met mijn oudste zus de draad weer op met één paard en vier stuks vee. Een paar dagen daarna gingen alle vier koeien door mond- en klauwzeer verloren.”

Op 13 mei 1945 keerden vader Hermans en zijn zoon weer terug. Zij waren in Duitsland tewerk gesteld bij boerenmensen in de omgeving van Hannover. „Ze wisten al die tijd ook niet hoe wij het maakten. Toen hij terugkwam was mijn vader 25 jaar ouder geworden.”

Mien Hermans trouwde in 1953 met een jonge boer, zoon van een weduwe met een boerenbedrijf. In 1931 was haar man gestorven. „Zij was met acht kinderen achtergebleven. Een echte boerin die met personeel en de oudste kinderen het bedrijf voortzette. In oorlogstijd nam ze ook nog een joods gezin op dat hier is ondergedoken. Onder een andere naam en onder het mom dat het Rotterdammertjes waren die aan moesten sterken.”

Mien Hermans was al voordat zij getrouwd was, lid van de Boerinnenbond. Als voorzitster van de Limburgse Vrouwenbeweging stimuleerde zij de politieke scholing en bewustwording van vrouwen. „Het werd tijd dat ze wakker werden gemaakt. Ik vond het belangrijk dat vrouwen eens gingen nadenken over waar ze zelf mee bezig waren. De landbouworganisaties, dat is nog steeds een typische mannenwereld.”

Hoewel veel vrouwen in de landbouw werkten, is hun aandeel in het bedrijf in honderd jaar ondanks emancipatie-golven onvoldoende belicht, is de boodschap van de foto-expositie ‘In schort en overall’. „Nog altijd is er weinig aandacht voor de wijze waarop vrouwen in de landbouw en op het platteland hun werk proberen vorm te geven.” Vrouwen op het platteland hebben niet veel in de melk te brokkelen. Pas in de jaren tachtig zijn ze hun plaats op gaan eisen in land- en tuinbouworganisaties. Dineke van Zwieten van de Werkgroep Vrouwen in de Landbouw: „In de agrarische bladen lees je heel weinig over hen. Ze staan altijd schuin achter hun man, zonder naam en toenaam. Alleen bij incidenten krijgen ze aandacht. Bijvoorbeeld een huilende boerin op de publieke tribune van de Tweede Kamer tijdens de behandeling van de herstructureringswet voor de varkenshouderij.” Veel boeren proberen, door crisis, markt en samenleving gedwongen, het hoofd boven water te houden met nieuwe activiteiten zoals zelf kaas maken, streekeigen producten, minicampings en boerderij winkels. De leiding van zo’n tweede tak is vaak in creatieve vrouwenhanden.

Van Zwieten: „De nieuwe Oort-belastingwetgeving heeft gezorgd voor een impuls om man-vrouw-maatschappen op te richten. Wat nog niet betekent dat de vrouw door accountants en voorlichters gezien wordt als mede-onderneemster die meepraat over de toekomst van het bedrijf. Emancipatie doet met vertraging zijn intrede op het platteland.”

D e verdeling tussen mannen- en vrouwenwerk is op de boerderij altijd vrij strikt geweest. „De kalfjes zijn mijn zorgen. En het melklokaal. De poetsbeurten plus de rommel op het erf opruimen, de mestschuif en de boxen van de koeien onderhouden ook”, signaleert een van de inzenders van de tentoongestelde foto’s.

Een andere boerin: „Ruim 30 jaar kaas gemaakt, bijna 40 jaar getrouwd en 50 jaar gemolken. Ik doe het nog steeds graag! Vijftien koeien per maal.”

Tags: