Waar verhaal ?

0 Comment

Waar verhaal

(Uit “Het Schakeltje” van dec. ’95)

Het volgende is een waar gebeurd verhaal in een van de Nederweertse kerkdorpen, aan de taal te horen in het uiterste oosten van onze gemeente.

Er komt zelfs Frans in de tekst voor. hetgeen ontegenzeggelijk duidt op beïnvloeding vanuit het nabijgelegen Klein-Parijs.

In het dorpje was Christ. deftig Christiaan. een trouw lid van de schutterij. Christ schoot als de beste, verrichtte alle gevraagde en ongevraagde hand- en spandiensten voor de schutterij en na gedane zaken liet hij zich ook aan de tap van het stamcafé niet onbetuigd. Christ ging zo op in het schutterswezen. dat hij zijn stamtafel met steeds groter wordende regelmaat opzocht om uren nadien goed in de olie. oftewel met een flink stuk in de hakken, thuis te komen.

Dit alles deed Dora. zijn gemalin, veel leed en na de tolerantie tot het uiterste betracht te hebben, zoals dat in een goed huwelijk betaamt, ging zij haar nood klagen bij de pastoor.

“Dora”, sprak de parochieherder, die als een echte curé de la campagne gewend was alles op te knappen wat hem in de biechtstoel en elders ter oplossing werd voorgelegd. “Dora, maak dich gein zorg. det zal ich waal ens raegelen”. En hij sprak het “ich” uit met een intonatie alsof hij in plaats van zichzelf de Heilige Vader uit Rome bedoelde.

Op zekere dag begaf de pastoor zich naar de boerderij van Christ en Dora. Christ was bij de kreem. die net 14 biggen had gekregen. Die biggen moesten voor de eerste keer bij moeder drinken en omdat zulke kleine beestjes de eerste keer nog niet weten hoe dat technisch allemaal in zijn werk gaat. moesten ze aangelegd worden. Onder het storten van bloed, zweet en tranen was Christ met dit karwei bezig, toen de pastoor binnen kwam. “Het geit neet. nondedjuu. het geit neet. pasjtoor. ze wille neet zoepen” riep Christ over zijn schouder. De parochieherder knikte eens bedachtzaam en zei toen: “Christiaan. ich zeentj.

Es ich dich waas, dan maakdje ich ze lid van de sjötterie. dan zope ze waal ….”En dit gezegd hebbende ging de pastoor heen om bij Dora in de Zondagse kamer een tas koffie te gaan drinken.

“Ich höb mit de miens gespraoke”, sprak hij tot Dora. “het zal waal good zeen”.

Toen hij vertrok ging hij Christ nog even goedendag zeggen in de stal. En daar zat Christ op een fruitkistje, tevreden naar de biggetjes kijkend, die allemaal hun plekje hadden gevonden. Ze tankten zo gulzig alsof super hier voor niets was. wat nog waar was ook. “Christiaan. ich zeen det ze noe zoepe”. zei de pastoor, en terugkomend op zijn eerdere uitspraak voegde hij eraan toe: “Höbse ze lid gemaaktj vanne sjötterie”? Christ keek de pastoor eens aan en zei toen ietwat bitsig: “Nae. menier pasjtoor. ich höb ze de kruun gesjaore …”.

(vrij naar een verhaal uit de oude doos van Harrie van Teune Jans Sjang).

 

Tags: