Het Zuidelijke peelgebied en gegevens over de familie Houben-Jorissen uit Leveroy

0 Comment

INLEIDING

Bij een familiereünie is het de gewoonte dat iemand iets vertelt over de familie-genealogie. Tijdens vorige bijeenkomsten van de kleinkinderen van het echtpaar HOUBEN – JORISSEN is dat ook gebeurd. Van meerdere kanten kwamen toen vragen naar voren, niet alleen of er informatie te vinden zou zijn over wie onze voorouders geweest waren, over hun land en boerderijen, maar ook of er over het ontstaan van Leveroy iets bekend zou zijn. Een gedeelte van die vragen sprak mij wel aan.

De grens tussen het Land van Weert en het Land van Hom liep tot voor kort door het centrum van Leveroy. De grens van beide Landen was in het westen en noorden midden in het gedurende duizenden jaren lang ontoegankelijk Peelgebied gelegen.

De zuidgrens van het Land van Weert en van het aansluitende deel van Heythuysen werd gevormd door de zich langs dit omvangrijke moeras-, heide- en bosgebied slingerende Tungelroyse Beek. De landbouwgrond aan de noordzijde van de beek was beperkt tot een vrij smalle strook. Er waren in dit Zuidelijke Peelgebied geen doorgaande handels- en waterwegen, niet van noord naar zuid en evenmin van oost naar west. Van een econo­misch, politiek of militair belangrijke landstreek was dan ook geen sprake.

Een betrouwbare landkaart blijkt derhalve eerst in 1775 te zijn vervaardigd. Ook anderszins bestaat er weinig schriftelijke informatie over het Zuidelijke Peelgebied. Oude kronieken ontbreken vrijwel geheel.

De archieven van de Heren van Hom hebben vooral betrekking op de zakelijke activitei­ten van hun geslacht. De oudste acten, waarin omstreeks 1240 melding wordt gemaakt van Leveroy, zijn afkomstig van kloosters uit de omgeving. Maar ook daarin is over de bewoners weinig opgeschreven. Mogelijk bieden gegevens uit leenhoven, schepen- en laatbanken en uit rechterlijke, notariële en andere archieven nog nieuws over enkele van onze voorouders; het bestuderen daarvan zal ik echter grotendeels aan anderen moeten overlaten.

Om toch verder te komen, moest bij archeologische en geografische gegevens worden gezocht. Daarbij bleek dat de nu nog bestaande nederzettingen ten noorden langs de Tungelroyse Beek, aan de zuidrand van het Peelgebied, tot mijn verrassing veel gemeen­schappelijks hebben. Op basis daarvan leek het mogelijk om de ontstaans-geschiedenis van Leveroy beter te begrijpen. Dit is beschreven in Deel I.

Over het oorsprong en ontwikkeling van onze provincie Limburg wist men vóór de laatste wereldoorlog weinig te vertellen. Wat sedertdien bekend is geworden, wordt in Deel II beknopt uit de doeken gedaan. Daarbij is uiteraard extra aandacht besteed aan het Graaf­schap Hom en het Land van Weert, ook al omdat deze zelfs in de nieuwste wetenschap­pelijke publicaties stiefmoederlijk worden bedeeld.

Dat in het verleden weinig belangstelling heeft bestaan voor het arme en moeilijk toegankelijke Zuidelijke Peelgebied is enigszins begrijpelijk. Maar het is merkwaardig dat zelfs de oorsprong én de betekenis van de naam Limburg thans, 175 jaar na de naamge­ving van de provincie, nog niet grondig zijn onderzocht. Aan het opvullen van dit hiaat heb ik enige aandacht kunnen besteden.

Een kwartierstaat met zoveel mogelijke personen die, vanaf onze oudst bekende voorvader HOUBEN, zijn naam hebben overgenomen, werd al eerder samengesteld. Een stamboom, waarin vele van onze directe vóórouders zijn vermeld, was ook al eerder grotendeels bekend. De vroegste van deze gegevens zijn afkomstig uit kerkelijke Doop-, Trouw- en Begrafenisboeken, maar deze gaan niet veel verder terug dan het einde van de 17e eeuw. De ons reeds bekende gegevens zijn verbeterd en aangevuld en in deel UT opgenomen.

Om iets over het land en de boerderijen van onze voorouders te weten te komen, moest onder meer worden gezocht bij vroege militaire en kadastrale gegevens. De oudste kaarten zijn helaas weinig gedetailleerd. Maar sedert 1837 werden betere kaarten vervaardigd met leggers op de eigenaars van de diverse percelen.

Bovendien vond ik een soort testament uit 1803, dat waardevolle aanvullende informatie verschaft. Daardoor kan een indruk worden verkregen van de omvang van de bezittingen van onze voorouders vanaf 1750, die toen vele hectaren omvatten. De resultaten daarvan zijn eveneens opgenomen in Deel III

Rest mij te vermelden dat Ben Houben niet alleen de laatste twee generaties van onze kwartierstaat voor zijn rekening heeft genomen, maar mij ook met andere onderdelen en met de lay-out bijzonder behulpzaam is geweest. Vele anderen hebben mij bij het verza­melen van gegevens geholpen, waarvoor onze dank.

Zwolle, maart 1995

De meest van belang zijnde literatuur en andere notities zijn telkens aan het einde van het betreffende onderdeel vermeld.

 

DEEL I

De Voorgeschiedenis van LEVEROY 1. Gegevens uit archieven

Onze voorouders Houben hebben vermoedelijk steeds pal ten oosten van de grens tussen het Land van Weert en het Land van Hom gewoond, in het gebied dat nu als Maxet wordt aangeduid. Die grens heeft tot voor kort midden door Leveroy gelopen.

Toch zijn Leveroy en Heythuysen veel meer verwant aan Weert dan aan Hom. Bovendien blijken de dorpen ten noorden van de Tungelroyse Beek, langs de zuidrand van het Peelgebied, in menig opzicht een analoge ontstaansgeschiedenis te hebben doorgemaakt. Over de Peel bestaan vrij veel publicaties, waarvan de meeste slechts betrekking hebben op aspecten die verband houden met de industriële ontginning van het noordelijke gedeelte in de tweede helft van de 19e eeuw.

Ook zijn er nogal wat verhaaltjes over folkloristische zaken, heemkunde, lokale anekdotes en incidentele wederwaardigheden. Maar aan de ontwikkeling van het Zuidelijke Peelge­bied en zijn bewoners is nog bijzonder weinig aandacht besteed.

De oudste geschreven informatie over Leveroy is te vinden in de archieven van het Stift te Thom (1) en van de kloosters St.Elisabeth te Nunhem (2) en Keysersbosch te Neer (3); helaas is er weinig in vermeld, dat voor ons relevant is.

De naam LEYVELROY werd reeds omstreeks 1240 genoemd in verband met de watermolen, die ongeveer 600 meter zuid-westelijk van de huidige brug over de Tungel­royse Beek gelegen was en die af en toe voor veel wateroverlast zorgde.

De hulp van de vorstin-abdis van Thom en soms van de prins-bisschop van Luik moest worden ingeroepen om de problemen op te lossen. Die watermolen was kennelijk, als enkele andere, gebouwd in opdracht van de abdij te Thom.

In 1503 werd Jacob IE graaf van Hom “op Leyvelroyd”, aan de grens tussen van het Land van Hom en het Land van Weert, ingehuldigd en beëdigd als Heer van het Land van Weert (4). Op basis van kartografische gegevens – waarop ik later terugkom – kwam hiervoor alleen een plaats dichtbij de brug van Liesjeshoek op de oude Heerbaan, de gebruikelijke verbindingsweg tussen het Land van Hom en het Land van Weert, in aanmerking.

Doordat de Landengrens midden door Leveroy liep, behoorde de latere parochiekerk tot het dekenaat Weert, dat na 1575 tesamen met Nederweert en Meijel onder het bisdom Roermond viel, terwijl de dichtbij gelegen kapelanie en de boerderijen van onze voorou­ders Houben op het grondgebied van Heythuysen stonden, dus in het Land van Hom dat onder het bisdom Luik ressorteerde.

Uit 1617 is de stichtingsacte bekend van de parochiekerk, waarvan de toren in 1924 werd afgebroken (5). De schutterij St.Barbara blijkt reeds in 1624 te zijn opgericht.

Wat de betekenis van de naam Leveroy betreft: de uitgang -roy, -rooi, of -rode duidt op een gerooid bosperceel.

 

 

 

Die uitgang is door de streek bepaald; -roy komt bij meerdere plaatsen in het graafschap Hom voor. Naast de vroeger meest gebruikte naam Leyvelroy, wordt Leyverloe alleen in de oudste archiefstukken uit Thom gevonden (1), maar Thom was op Brabant geori­ënteerd , waar de uitgang -lo gebruikelijk was; ook dit duidt overigens op een bos. De letterverwisseling van de r en 1 komt meer voor. Ik twijfel er dan ook niet aan dat de oorspronkelijk naam LEYVELROY is geweest.

Het archief van de schepenbank van Weert bevat registers van het ”Leynroe”-leen, uit 1449 (6.Weert nrs.313/6). Bij nader onderzoek naar die merkwaardige naam bleek in het origineel “Leyveroe” te staan ! In Franse stukken staat wel eens fonetisch geschreven MLe Veroy”.

Wat leyvel of leivel betekende is nog een raadsel. De plaats- en streeknamenkunde kan in ons taalgebied wel wat intensiever en kritischer worden beoefend (7). Dat bleek nog eens duidelijk bij mijn onderzoek naar de betekenis van de naam Limburg (deel n, hfd. 1).

Dat zowel de graven van Hom, als later de prins-bisschoppen van Luik, weinig belang­stelling hadden voor de inwoners moge o.a. blijken uit het feit, dat de bewoners in de Statencolleges, die over regionale zaken beslisten, zeer slecht waren vertegenwoordigd. Ondanks schepen-, leen- en laatbanken of -hoven had de boerenbevolking nauwelijks rechten. Ook is een veeg teken dat bijna het gehele gebied door de vorst steeds in kleine gedeelten in onderleen werd verpacht.

Reeds bij de Romeinen was het gebruikelijk om het innen van belastingen aan de meest biedende te gunnen. Deze had de vrije hand om de bevolking, zo nodig met geweld, willekeurige belasting op te leggen of anderszins uit te buiten; voor van alles en nog wat moest men toestemming vragen én betalen.

Zogenaamde zonnelenen, zoals dat van Meijel (alleen aan God en aan de zon belasting­plichtig !) waren er slechts weinig.

Gedurende de periode dat hij aan zijn formele veiplichdngen voldeed, mocht een leenheer zich “Heer van ..” noemen. Volgens het “Leyveroe”-leen (6.Weert nr.1234) schonk Jacob graaf van Hom in 1449 aan Johan van der Sluysen, die hem op zijn tocht naar het Heilige Land had vergezeld, 50 bunder (42lA ha) bos in Leveroy.

Later schijnt van der Sluysen zoveel meer grond in onderleen te hebben verkregen, dat hij zich “Heer van Leveroy’’ noemde. In 1562 blijkt een J.Rutten het leenheerschap te hebben verworven. In 1591 was Walburgis van Nieuenaar, de weduwe van de laatste graaf van Hom, Vrouwe van de Heerlijkheid Weert. In 1605 werd zij opgevolgd door haar nicht Salina van Egmond en Solms en in 1626 werd Madeleine van Egmond, prinses van Chimay als Vrouwe van Weert, Nederweert, Leveroy e.a. genoemd.

In 1670 was een prins van Chimay Heer van Leveroy (8) en in 1680 werd Hubert van der Meer, seigneur de Grissart door de prins-bisschop van Luik als Heer van Heythuysen aangesteld; hij betaalde daarvoor 3000 gouden Franse couronnes.

In 1698 werd Gerard Assuère baron de Horion Heer van Heythuysen; zijn zoon volgde hem op en in 1731 diens zoon Geréid Louis graaf van Horion. De laatste Heer van Heythuysen was sedert 1783 Jean Rome, raadsheer van de prins-bisschop te Luik, die er 12.400 Brabantse goudguldens voor betaalde (9).

 

 

Door op de plaatsen, waar telkenjare bruikbare wilde gewassen werden gevonden, onkruid te wieden en bewust een klein gedeelte van de oogst bij te zaaien, kon de opbrengst beduidend verbeterd worden. Dat was ook hard nodig, want naarmate het klimaat beter werd en het niveau van het grondwater steeg werden de mogelijkheden voor de jacht geleidelijk aan beperkter en werden de basiskampen van groter belang voor de verzorging van de eerste levensbehoeften. Zonder twijfel hadden de vrouwen geleerd hoe konijnen te strikken en hadden zij ervaren dat het niet moeilijk was om schapen en geiten als huisdieren te houden.

Van deze jagers zijn grote aantallen artefacten gevonden, zoals snij- en krabmessen, pijlpunten, bijlen en andere vuursteenafslagstukken, zoals bij Strateris-Nederweert (4), de hoeve De Fransman, de Heibloem en Z.O.van Heythuysen (5 en 7), Katsberg-Meijel (6), De Baanen (7 en 9), Eind-Nederweert (8), Weijenberg-Baexem en Mildert (9).

Omdat het waterpeil bleef stijgen en de waterafvoer uitermate beperkt was, ontstonden in het heideachtige Peelgebied geleidelijk aan uitgestrekte moerassen, die zich steeds verder uitbreidden. De veenvorming is doorgegaan tot aan de tijd van de systematische ontgin­ningen, die in het noordelijke Peelgebied iets na 1850 begon, maar in het zuidelijke, met een voor vervening minder aantrekkelijke dunne veenlaag, eerst bijna vijftig jaren later.

Het drassige moeras, vennen- en veengebied, afgewisseld met moeilijk begaanbaar bos­en heideterrein, dat tot de 19e eeuw een natuurlijke barrière vormde tussen Noord-Bra- bant en het gebied ten oosten daarvan, werd De Peel genoemd. Menigeen denkt daarbij alleen aan de zogenaamde Grote Peel, een hoogveengebied dat ten westen van Ven- ray-Horst-Helden en enkele kilometers ten zuid-oosten van Oss, voornamelijk in Noord-B- rabant was gelegen. De oude landkaarten, die het Zuidelijke Peelgebied negeren en die tot 1800 grotendeels werden gecopieerd, zijn hiervan wellicht de reden (afb.2).

Maar het Zuidelijke Peelgebied, ten noord-westen van de lijn Tungelroy-Leveroy-Heyt- huysen-Neer en ten westen van de Maas vormde eveneens een ondoordringbaar heidege­bied met vele onregelmatige moerassen en ontoegankelijke bossen. Het Peelgebied strekte zich ook naar het oosten verder uit dan algemeen bekend is. Vanaf het noord-oosten van Venray tot het zuid-oosten van Haelen reikte het Peelgebied vaak tot op slechts enkele honderden meters van de Maas. Venray, Horst, Sevenum, Helden en nog enkele kleinere dorpen lagen als groene enclaves temidden van uitgestrekte woeste gronden.

In het Zuidelijke Peelgebied lagen bovendien twee “Peeleilanden”: het grote van Weert en het kleinere van Meijel. Een wat minder woest heidegebied strekte zich zuid-westelijk van Weert uit tot ver over de huidige Belgische grens (voor gegevens over landkaarten van het Zuidelijke Peelgebied zie hoofdstuk 7).

Tijdens de Bronstijd, toen het aantal bewoners toenam en de opbrengst van de jacht en van het verzamelen van voedsel te gering werd om er met zijn allen van te kunnen leven, werden akkerbouw en het houden van vee een levensbelang. Vóór 2500 v.Chr. bleek men al over kleine runderen, geiten, schapen en varkens als huisdieren te beschikken (10); pluimvee was vóór de Romeinse tijd echter onbekend.

Intussen had men ook geleerd om wintervoorraden aan te leggen, niet alleen voor zichzelf, maar o.a. ook hooi voor het vee. Door een stuifmeelonderzoek kon worden

Door op de plaatsen, waar telkenjare bruikbare wilde gewassen werden gevonden, onkruid te wieden en bewust een klein gedeelte van de oogst bij te zaaien, kon de opbrengst beduidend verbeterd worden. Dat was ook hard nodig, want naarmate het klimaat beter werd en het niveau van het grondwater steeg werden de mogelijkheden voor de jacht geleidelijk aan beperkter en werden de basiskampen van groter belang voor de verzorging van de eerste levensbehoeften. Zonder twijfel hadden de vrouwen geleerd hoe konijnen te strikken en hadden zij ervaren dat het niet moeilijk was om schapen en geiten als huisdieren te houden.

Van deze jagers zijn grote aantallen artefacten gevonden, zoals snij- en krabmessen, pijlpunten, bijlen en andere vuursteenafslagstukken, zoals bij Strateris-Nederweert (4), de hoeve De Fransman, de Heibloem en Z.O.van Heythuysen (5 en 7), Katsberg-Meijel (6), De Baanen (7 en 9), Eind-Nederweert (8), Weij enberg-Baexem en Mildert (9).

Omdat het waterpeil bleef stijgen en de waterafvoer uitermate beperkt was, ontstonden in het heideachtige Peelgebied geleidelijk aan uitgestrekte moerassen, die zich steeds verder uitbreidden. De veenvorming is doorgegaan tot aan de tijd van de systematische ontgin­ningen, die in het noordelijke Peelgebied iets na 1850 begon, maar in het zuidelijke, met een voor vervening minder aantrekkelijke dunne veenlaag, eerst bijna vijftig jaren later.

Het drassige moeras, vennen- en veengebied, afgewisseld met moeilijk begaanbaar bos­en heideterrein, dat tot de 19e eeuw een natuurlijke barrière vormde tussen Noord-Bra- bant en het gebied ten oosten daarvan, werd De Peel genoemd. Menigeen denkt daarbij alleen aan de zogenaamde Grote Peel, een hoogveengebied dat ten westen van Ven- ray-Horst-Helden en enkele kilometers ten zuid-oosten van Oss, voornamelijk in Noord-B- rabant was gelegen. De oude landkaarten, die het Zuidelijke Peelgebied negeren en die tot 1800 grotendeels werden gecopieerd, zijn hiervan wellicht de reden (afb.2).

Maar het Zuidelijke Peelgebied, ten noord-westen van de lijn Tungelroy-Leveroy-Heyt- huysen-Neer en ten westen van de Maas vormde eveneens een ondoordringbaar heidege­bied met vele onregelmatige moerassen en ontoegankelijke bossen. Het Peelgebied strekte zich ook naar het oosten verder uit dan algemeen bekend is. Vanaf het noord-oosten van Venray tot het zuid-oosten van Haelen reikte het Peelgebied vaak tot op slechts enkele honderden meters van de Maas. Venray, Horst, Sevenum, Helden en nog enkele kleinere dorpen lagen als groene enclaves temidden van uitgestrekte woeste gronden.

In het Zuidelijke Peelgebied lagen bovendien twee “Peeleilanden”: het grote van Weert en het kleinere van Meijel. Een wat minder woest heidegebied strekte zich zuid-westelijk van Weert uit tot ver over de huidige Belgische grens (voor gegevens over landkaarten van het Zuidelijke Peelgebied zie hoofdstuk 7).

Tijdens de Bronstijd, toen het aantal bewoners toenam en de opbrengst van de jacht en van het verzamelen van voedsel te gering werd om er met zijn allen van te kunnen leven, werden akkerbouw en het houden van vee een levensbelang. Vóór 2500 v.Chr. bleek men al over kleine runderen, geiten, schapen en varkens als huisdieren te beschikken (10); pluimvee was vóór de Romeinse tijd echter onbekend.

Intussen had men ook geleerd om wintervoorraden aan te leggen, niet alleen voor zichzelf, maar o.a. ook hooi voor het vee. Door een stuifmeelonderzoek kon worden

Door op de plaatsen, waar telkenjare bruikbare wilde gewassen werden gevonden, onkruid te wieden en bewust een klein gedeelte van de oogst bij te zaaien, kon de opbrengst beduidend verbeterd worden. Dat was ook hard nodig, want naarmate het klimaat beter werd en het niveau van het grondwater steeg werden de mogelijkheden voor de jacht geleidelijk aan beperkter en werden de basiskampen van groter belang voor de verzorging van de eerste levensbehoeften. Zonder twijfel hadden de vrouwen geleerd hoe konijnen te strikken en hadden zij ervaren dat het niet moeilijk was om schapen en geiten als huisdieren te houden.

Van deze jagers zijn grote aantallen artefacten gevonden, zoals snij- en krabmessen, pijlpunten, bijlen en andere vuursteenafslagstukken, zoals bij Strateris-Nederweert (4), de hoeve De Fransman, de Heibloem en Z.O.van Heythuysen (5 en 7), Katsberg-Meijel (6), De Baanen (7 en 9), Eind-Nederweert (8), Weij enberg-Baexem en Mildert (9).

Omdat het waterpeil bleef stijgen en de waterafvoer uitermate beperkt was, ontstonden in het heideachtige Peelgebied geleidelijk aan uitgestrekte moerassen, die zich steeds verder uitbreidden. De veenvorming is doorgegaan tot aan de tijd van de systematische ontgin­ningen, die in het noordelijke Peelgebied iets na 1850 begon, maar in het zuidelijke, met een voor vervening minder aantrekkelijke dunne veenlaag, eerst bijna vijftig jaren later.

Het drassige moeras, vennen- en veengebied, afgewisseld met moeilijk begaanbaar bos­en heideterrein, dat tot de 19e eeuw een natuurlijke barrière vormde tussen Noord-Bra- bant en het gebied ten oosten daarvan, werd De Peel genoemd. Menigeen denkt daarbij alleen aan de zogenaamde Grote Peel, een hoogveengebied dat ten westen van Ven- ray-Horst-Helden en enkele kilometers ten zuid-oosten van Oss, voornamelijk in Noord-B- rabant was gelegen. De oude landkaarten, die het Zuidelijke Peelgebied negeren en die tot 1800 grotendeels werden gecopieerd, zijn hiervan wellicht de reden (afb.2).

Maar het Zuidelijke Peelgebied, ten noord-westen van de lijn Tungelroy-Leveroy-Heyt- huysen-Neer en ten westen van de Maas vormde eveneens een ondoordringbaar heidege­bied met vele onregelmatige moerassen en ontoegankelijke bossen. Het Peelgebied strekte zich ook naar het oosten verder uit dan algemeen bekend is. Vanaf het noord-oosten van Venray tot het zuid-oosten van Haelen reikte het Peelgebied vaak tot op slechts enkele honderden meters van de Maas. Venray, Horst, Sevenum, Helden en nog enkele kleinere dorpen lagen als groene enclaves temidden van uitgestrekte woeste gronden.

In het Zuidelijke Peelgebied lagen bovendien twee “Peeleilanden”: het grote van Weert en het kleinere van Meijel. Een wat minder woest heidegebied strekte zich zuid-westelijk van Weert uit tot ver over de huidige Belgische grens (voor gegevens over landkaarten van het Zuidelijke Peelgebied zie hoofdstuk 7).

Tijdens de Bronstijd, toen het aantal bewoners toenam en de opbrengst van de jacht en van het verzamelen van voedsel te gering werd om er met zijn allen van te kunnen leven, werden akkerbouw en het houden van vee een levensbelang. Vóór 2500 v.Chr. bleek men al over kleine runderen, geiten, schapen en varkens als huisdieren te beschikken (10); pluimvee was vóór de Romeinse tijd echter onbekend.

Intussen had men ook geleerd om wintervoorraden aan te leggen, niet alleen voor zichzelf, maar o.a. ook hooi voor het vee. Door een stuifmeelonderzoek kon worden

 

Mede door hun contact met de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort, gaven zij de stoot tot in 1968 begonnen jarenlange veldstudies van dit urnenveld. Het blijkt ongeveer 25 ha groot te zijn geweest, waar thans weer een 150-tal grafheuvels zichtbaar zijn. Op deze omvangrijke nederzetting woonden gedurende meerdere honderden jaren permanent tenminste drie grote gezinnen.

Na 1970 werden ook urnen en restanten gevonden o.a. bij Baexem, £11, Grathem, Hunsel, Roggel, de Heibloem, rondom Heythuysen (22), Eind-Nederweert (23), Ospel, Stramproy, Tungelroy (24) en bij Meijel (25). Hierbij dient ook de naam van de ama- teur-archeoloog M.P.L.Heijmans uit Weert te worden genoemd.

Over urnenvelden (26) en ook over Boshoven (27) is vrij veel literatuur verschenen, maar een overzicht van de verschillende urnenvelden van het Zuidelijke Peelgebied ontbreekt jammer genoeg nog steeds.

Uit de periode van de urnenvelden zijn vrij weinig vondsten aan bronzen voorwerpen bekend; enkele spelden, ringetjes, hals- en armbanden (17, 25), pijl- en speerpunten, een hielbijl (Leveroy, 27), een zwaard (17) en een dolk (21, 27). Een rijk “vorstengraf” werd hier niet aangetroffen.

Wij mogen aannemen dat de umenveldbouwers haast veeteelt ook actief waren op het gebied van akkerbouw. Aanvankelijk door de plaatsen, waar eetbare granen en wortels te vinden waren, enigszins te verzorgen. Die perceeltjes zal men wel hebben uitgebreid en men zal daarnaast gezocht hebben naar andere grond die geschikt was om deze gewassen te verbouwen. Er zijn resten aan granen gevonden van o.m. éénkoom, naakte gerst en emmertarwe. De vondst van een maalsteen duidt pp het bereiden van meel. Later werd ook gierst, rogge en boekweit verbouwd (28).

Bekend is dat er in de Romeinse tijd (0-400) in Zuid-Limburg vele nederzettingen werden gesticht en dat wegen en versterkingen werden aangelegd vooral langs de linker oever van de Maas naar het noorden tot voorbij Nijmegen. Wegens het ontbreken van doorgaande wegen was het Zuidelijke Peelgebied voor de Romeinen van weinig belang. Wel is logisch dat voedsel, wol en dierenhuiden werden gevorderd.

Vermoedelijk in verband hiermede ontstond bij de huidige Wessemerdijk te Nederweert een kleine permanente Romeinse nederzetting, de enige in het Zuidelijke Peelgebied. Daar werd vanaf 1977 door de gebroeders Houben en de familie Borrenbergs zoveel Romeins aardewerk gevonden, dat het ROB er in 1979 van op de hoogte werd gesteld. Toen het uit 1923 daterende kanaal Wessem-Nederweert in 1986 zou worden verbreed, begon de Archeologische Werkgroep Philips van Home uit Weert aan proefopgravingen. Daarbij werd een niet onbelangrijk Romeins grafveld gevonden (28).

Het is onwaarschijnlijk dat veel inheemse jongens in Romeinse krijgsdienst zijn getreden, zoals de ten noorden van de Peel wonende Bataven. In het Land van Weert worden dan ook slechts hier en daar incidentele Romeinse vondsten aangetroffen. Iets ten westen van Leveroy werden bij de kanalisatie van de Tungelroyse Beek in 1938 meerdere Romeinse aardewerkscherven gevonden (28).

 

 

literatuur:

Mede omdat de ervaring heeft geleerd dat bij het publiceren van archeologische vindplaat­sen enige terughoudendheid dient te worden betracht, zijn meerdere vermeldingen van eenzelfde vondst niet uitgesloten. Geruchten en verhaaltjes van horen zeggen zijn in dit overzicht genegeerd.

  1. De meeste incidentele gegevens over archeologische vondsten in het Zuidelijke Peelge- bied zijn vermeid in onderstaande publicaties:

Arch.Ber =        Archeologische Berichten, wordt als regel jaarlijks uitgegeven en

Arch.Lb = bevat uitgebreide overzichten van een of meer pre-historische vondsten.

Archeologie in Limburg, is een verenigingsblad van de Archeolo­gische Vereniging Limburg, een sectie van het LGOG, dat sedert 1977 aanvankelijk twee-, later viermaandelijks verscheen.

AWL Jaaroverzichten van de Archeologische Werkgemeenschap Limburg, van 1963 tot 1973, waarin slechts enkele artikelen.
B.KNOB = Bulletin van de Kon.Ned.Oudheidkundige Bond, bevatte tot 1987 een summiere samenvatting van archeologisch nieuws.
B.ROB » Berichten van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonder­zoek, verschijnt sedert 1950 jaarlijks en bevat een overzicht van een of meer prehistorische vondsten.
J.ROB * Jaarverslag van de ROB, waarin vanaf 1952 archeologische vondsten per provincie en gemeente summier zijn vermeld (ook als losse overdrukken).
Maasgouw = het verenigingsblad van het LGOG, dat sedert 1879 per kwartaal uitkomt.
PSHAL » Publications de la Société Historique et Archeologique dans Ie Limbourg, is het jaarboek van het Limburgs Geschied- en Oud­heidkundig Genootschap (LGOG, sedert 1864; daarvoor vanaf 1854 Annales SHAL), waarin sinds 1971 een archeologische kroniek, analoog aan die van J.ROB.
  1. De in 1979 gevonden vuistbijl bevindt zich thans in het museum “de Tiendschuur” te
Weert.  
3. HARSEMA OH : “Inventaris vuurstenen voorwerpen” in Archief Staatsbos­beheer Roermond, 1965.
WILLEMS WJH : BLOEMERS JHF.e.a.: ”Paleolithische vuistbijl bij Ospel” in PSHAL 1969, pp.11-12. afbeelding van de vuistbijl uit Ospel in “Verleden Land”, Amsterdam, 1981, p.28.
4. WILLEMS WJH : “Archeologische Kroniek” in PSHAL, 1985, p. 146 en 151.
5. BELTJENS H : “Fouilles prés de Heythuysen” in Bull.Inst.Arch.Liégeois, 1852, pp.486/8.
HABETS J : “Découvertes d’Antiquités dans Ie Duché du Limbourg” in PSHAL, 1865, pp.205/259.

“Autres découvertes d’Antiquités sur la rive gauche de la Meuse” in PSHAL, 1881, pp.268/9.

WOUTERS AM : “Paleolithische nederzettingen bij Heythuysen” in B.KNOB, 1961, k.242.

SCHOKKER AR :         ”Laatpa!eolithische vindplaats bij Heythuysen* in AWL, 1967,

  1. 12/7.

WOUTERS AM :           “Jongpaleolithische vindplaats De Fransman” in Arch.Ber.

1984, pp.70-124.

 

 

6. WOUTERS AM : “Middenpaleolithische vondsten bij Meijel” in Arch.Lb, juli 1982, p.26.
CROMPVOETS H , WEEKERS L : WOUTERS AM : “Van Verleden naar Heden” in Medelo, 1983, pp.4-14. •Vuurstenen Artefacten” in Arch.Ber. 1985, pp.74-87.
7. HOUBEN PM : “Zeldzame artefacten bij De Baanen en De Fransman” in AWL, 1964, pp. 19-20.
8. BOUTS Th H : “Het Paleo- en Mesolithicum in Limburg” in De Maasgouw, 1955, p.34.
WILLEMS WJH : “Archeologische Kroniek” in B.KNOB, 1956, II, k.24.
9. HULST RS : “Graffunde mit frühen Glockenbechern” in B.ROB, 1973, pp. 77- 101.
10. CLASONAT: “Jacht en Veeteelt van Prehistorie tot Middeleeuwen, Haarlem,

1977.

  1. GROENMAN-WAATE-

RINGE van W : “Palynologisch Onderzoek van het Urnenveld Boshoven” in Land-

12. KLOK RHJ : schap in Beweging,Amsterdam, 1988, pp. 139-156.

“Boshoven als Archeologisch Monument” in Landschap in Beweging, Amsterdam, 1988, pp.173-191.

13. BLOEMERS JF : vondst door HOUBEN P.M & J.H., in PHSAL, 1971, pp. 17/8.
14. HARSEMA HO: “Het Leudal als Woongebied in de Prehistorie” in Het Leudal, 1973, pp.5-9.
15. FOKKENS H : “de Voorgeschiedenis van Oss, van 2500 vóór tot 250 na Chr.”, Oss, 1993.
16. HABETS J : “Découvertes d’Antiquités dans Ie Duché du Limbourg” in PSHAL, 1865, p.269.
17. HABETS J: “Découvertes d’Antiquités dans Ie Duché du Limbourg” in PSHAL, 1865, pp.243/6.

“Autres découvertes sur la rive gauche de la Meuse” in PSHAL, 1881, pp.267/9.

18. GUILLON ChJH : heeft indertijd ijverig archeologische vondsten verzameld en beschreven. Zijn uitvoerige notities zijn, evenals een catalogus uit 1874, aanwezig in het Archief van het Gemeentehuis te Roer­mond. Zijn verzameling is verspreid geraakt, maar een gedeelte is thans aanwezig in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, in het Bonnefantenmuseum te Maastricht en in het Kon. Museum v.Kunst en Geschiedenis te Brussel. Recentere vondsten zijn aanwezig in het museum “De Tiendschuur” te Weert en Eijnder- hof te Nederweert.
19. UGAGHSC: “Vóór-Romeinsche begraafplaatsen tussem Weert-Budel en Nederweert-Leveroy”, Amsterdam, 1890. Ubaghs spreekt van lijkbussen, waarvan hij er 95, evenals een 100-tal bronzen voorwerpen verzamelde.

 

 

 

  1. WOUTERS AM : “Middenpaleolithische vondsten bij Meijer in Arch.Lb, juli

1982, p.26.

CROMPVOETS H ,

WEEKERS L :  “Van Verleden naar Heden” in Medelo, 1983, pp.4-14.

WOUTERS AM : “Vuurstenen Artefacten” in Arch.Ber. 1985, pp.74-87.
7. HOUBEN PM : “Zeldzame artefacten bij De Baanen en De Fransman” in AWL, 1964, pp. 19-20.
8. BOUTS Th H : “Het Paleo- en Mesolithicum in Limburg” in De Maasgouw, 1955, p.34.
WILLEMS WJH : “Archeologische Kroniek” in B.KNOB, 1956, II, k.24.
9. HULST RS : “Graffunde mit fruhen Glockenbechern” in B.ROB, 1973, pp.77- 101.
10. CLASONAT: “Jacht en Veeteelt van Prehistorie tot Middeleeuwen, Haarlem,

1977.

  1. GROENMAN-WAATE-

RINGE van W : “Palynologisch Onderzoek van het Urnenveld Boshoven” in Land-

  schap in Beweging,Amsterdam, 1988, pp. 139-156.
12. KLOKRHJ: “Boshoven als Archeologisch Monument” in Landschap in Beweging, Amsterdam, 1988, pp. 173-191.
13. BLOEMERS JF : vondst door HOUBEN P.M & J.H., in PHSAL, 1971, pp. 17/8.
14. HARSEMA HO: “Het Leudal ais Woongebied in de Prehistorie” in Het Leudal, 1973, pp.5-9.
15. FOKKENSH: “de Voorgeschiedenis van Oss, van 2500 vóór tot 250 na Chr.”, Oss, 1993.
16. HABETSJ: “Découvertes d’Antiquités dans Ie Duché du Umbourg” in PSHAL, 1865, p.269.
17. HABETSJ: “Découvertes d’Antiquités dans Ie Duché du Limbourg” in PSHAL, 1865, pp.243/6.

“Autres découvertes sur la rive gauche de la Meuse” in PSHAL, 1881, pp.267/9.

18. GUILLON ChJH : heeft indertijd ijverig archeologische vondsten verzameld en beschreven. Zijn uitvoerige notities zijn, evenals een catalogus uit 1874, aanwezig in het Archief van het Gemeentehuis te Roer­mond. Zijn verzameling is verspreid geraakt, maar een gedeelte is thans aanwezig in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, in het Bonnefantenmuseum te Maastricht en in het Kon. Museum v.Kunst en Geschiedenis te Brussel. Recentere vondsten zijn aanwezig in het museum “De Tiendschuur” te Weert en Eijnder- hof te Nederweert.
19. UGAGHSC: “Vóór-Romeinsche begraafplaatsen tussem Weert-Budel en Nederweert-Leveroy”, Amsterdam, 1890. Ubaghs spreekt van lijkbussen, waarvan hij er 95, evenals een 100-tal bronzen voorwerpen verzamelde.

 

 

 

20.

KABETS J :

“Twee voorhistorische Doodenakkers nabij Weert” in VersI. Meded.Kon.Acad.Wetensch., 1890, 3e reeks, 7, pp.331-350.

21. HOUBENJH: GINKEL EJ v.: “Urnenveld Boshoverheide” in Arch.Lb, Jan. 1980, pp.9-10.

“Het urnenveld op de Boshoverheide”, scriptie R.U.Leiden 1982 65 pp.

BLOEMERS JHF : “Weert-Boshoverheide een voorhistorische dodenakker”, Amersfoort, 1990, 32 pp.
22. HEYSZELER CWJ : BLOEMERS JHF : HARSEMA HO : “Archeologische Kroniek” in B.ROB, 1951, pp. 1-2. “Archeologische Kroniek” in B.KNOB, 1968, p.7.

“Het Leudal als Woongebied in de Prehistorie” in Het Leudal, 1973, pp. 133-155.

23. APPELBOOM ThE : “Urnenveld te Nederweert-Eind” in B.ROB, 1952,111-3, pp.45/8.
24. CREEMERS C : “Aantekeningen over het Dorp Stamproy” in PSHAL, 1872, p.5-157.
25. BRUEKERS A : “Metaalvondsten te Meijel” in Arch.Lb. 1990, pp.313/4. “Een bronstijddolk uit Weert” in Arch.Lb. 1986, p. 128.
26. WILLEMS WJA : “Voor-Romeinse urnenvelden in Nederland”, diss., Maastricht, 1935, 152 pp.
VERLINDE AD : “Die GrSber und Grabfunde der spaten Bronzezeit und frühen Eisenzeit in Overijssel”, 1985.
27. WILLEMS WJH : “Archeologische Kroniek” in J.ROB, 1987, p.179.
28. WILLEMS WJH : “Archeologische Kroniek” in B.KNOB, 1980, p.132 en in Arch. Limb, 2/1981, p.4.
BRUEKERS A : “Romeins aardewerk uit Nederweert” in Arch.Lb, 1986, pp. 154- -161.

“Het Wessemerdijk-project” in “Nederweerts Verleden” III, 1989, pp.31-74.

 

 

 

  1. De grote ontginningsperiode

Op de vruchtbare lokaties, waar aardewerk uit het Neolithicum en urnen uit een latere periode werden gevonden, hebben zich sedertdien akkerbouwers en veehouders in kleine nederzettingen kunnen handhaven. Zo ook op meerdere plaatsen in de streek ten noorden langs de Tungelroyse Beek. Er zijn geen aanwijzingen dat in het Zuidelijke Peelgebied volksverhuizingen van vreemde stammen zijn voorgekomen.

Veelal werden op een onderlinge afstand van twee tot vijf kilometer één tot drie kleine behuizingen gebouwd. De beemdgronden langs de beek waren in de regel bruikbaar als weidegrond en de rand van een nabij, wat hoger gelegen bos, grenzend aan een heide- en veengebied, was geschikt om te wonen. Voor de verwarming werden hout en turf ge­bruikt. Uit de beek kon vis worden gevangen. De weiden met klaver en gras waren voor een beperkte veestapel van runderen, varkens en geiten. Het uitgestrekte heidegebied, dat zich ten gevolge van het kappen van bosranden steeds uitbreidde, was ideaal voor schapen en bijen en ook voor een enkele jager.

Op de akkergrond werden rogge, gerst, vlas, koolzaad, boekweit e.d. verbouwd. De grond werd opengescheurd met een primitieve houten ploeg, een zogenaamd eergetouw, dat door ossen werd getrokken. De keerploeg kwam eerst in de Romeinse tijd in gebruik. Zeker is dat de uitgeputte akkers regelmatig braak moesten liggen en dat men ook elke vijftig jaar een andere plaats moest vinden om een nieuwe woning te bouwen, omdat het steunhout van de oude woning dan verrot was.

Het is waarschijnlijk dat de oudste kernen van Tungelroy, Swartbroek, Mildert en Leveroy op deze wijze zijn ontstaan. Maar ook langs de weinige oude hoger gelegen zandwegen, zoals de oude “Heerbaan”, niet te ver van de beek, was de situatie al ver vóór onze jaartelling hier en daar gunstig om er kleine nederzettingen te vormen. Maxet, Heythuysen en Roggel zijn voorbeelden daarvan. Roggel ligt bovendien aan een zijtak van de Tungelroyse Beek. Helaas is ons over die vroegere boerenhuisjes en van hun bewo­ners, ook uit opgravingen, bijzonder weinig bekend.

Wel is het latere zogenaamde dwarshuisboerderij-type met binnenplaats, waarin ook onze voorouders gewoond hebben (zie deel m, hfd.4), karakteristiek voor dit gedeelte van Midden-Limburg.

Vanzelfsprekend is dat de bewoners van de vrij geïsoleerd gelegen boerderijtjes toch onderling contact met elkaar moeten hebben gehad. Dat was niet alleen nodig bij het vinden van huwelijkscandidaten, om te helpen bij het aanleggen van paden, met het uitwisselen van levensmiddelen, zaden, kleding, gereedschap, vee en informatie, maar ook om elkaar te ondersteunen zodra daaraan werkelijk behoefte was.

Tot omstreeks 1000 na Chr. was de bevolking arm, vooral door gebrek aan voedsel. In die tijd begon wat thans als de middeleeuwse grote ontginningsperiode wordt aangeduid. Paarden waren reeds lang bekend, maar niet als trekdier. Door het gebruik van het gareel (de haam) kon men ossen door trekpaarden vervangen. Bovendien werd in die tijd de ijzeren ploeg uitgevonden. Dat had tot gevolg dat een meer dan dubbele opbrengst van het akkerland kon worden verkregen.

Doordat er meer en beter voedsel beschikbaar kwam, nam de kindersterfte af en kon de gemiddelde leeftijd geleidelijk stijgen tot 35 jaar. De bevolking begon zich daardoor sterk uit te breiden, hetgeen betekende dat er meer akkerland nodig was.

 

 

Al vroeger had men geleerd om in de iets verdiepte stalmimten voor vee, de zogenaamde potstallen, een laag heideplaggen te gebruiken, die in het voorjaar vermengd met de fbsfaatrijke mest voor het verbeteren van de akkergronden werden toegepast.

Daardoor kwam het maaiveld geleidelijk aan wat hoger te liggen. Zo ontstonden de zogenaamde esdekken als een licht verhoogd akkerlandschap. Een gedeelte van de archeologische resten van onze voorouders is eeuwenlang veilig afgedekt en beschermd geweest door deze essen. Maar het is de vraag wat er in Leveroy van de oude daaronder begraven cultuurgegevens nog terug te vinden zal zijn na de recente rigoureuze ontginnin­gen en de omvangrijke woningbouw.

Van het vrij grote, door heide, bossen en moerassen omgeven “Peeleiland” Weert zijn ons tenminste vier urnenvelden bekend. Wij mogen aannemen dat deze de basis vormden voor een verdere eeuwenlange, steeds intensievere bebouwing. In het randgedeelte van het dichte bos aan de westzijde werd weliswaar gekapt, maar de grond was daar weinig geschikt voor akkerbouw. Het ontbrak zowel aan voldoende mest, als aan stromend water om de omliggende woeste gronden te kunnen ontginnen. De omvang van dit Peeleiland blijkt daardoor eeuwenlang nauwelijks te zijn veranderd (zie afb.2).

Na 1000 raakte het dan ook spoedig overbevolkt. De zuidelijke randgebieden van de Peel boden meer en betere overlevingsmogelijkheden. Menige boerderij ten noorden van de Tungelroyse Beek kon nu door het in dienst nemen van knechten en meiden haar akkergrondgebied uitbreiden en intensiever bewerken.

De oude boerderijtjes werden vergroot of gesplitst en zo ontstonden geleidelijk aan grotere en nieuwe nederzettingen, die soms uitgroeiden tot dorpen.

 

 

V4. Het Peeleiland Weert

De naam “werthe” of waard duidt op een boven de normale waterstand gelegen gebied, temidden van moeras en veen. De grond van het Peeleiland Weert was voor landbouw van een redelijke kwaliteit. Bovendien was er in het westelijke bosgebied voldoende hout om woningen te kunnen bouwen en was er heide in overvloed voor de schapen. Op de beste plekken van deze brede zandrug ontstonden geleidelijk aan grotere nederzettingen zoals Weert, Nederweert en Ospel. Ook langs de zuidrand van de Peel, in de gebieden waar vroeger urnenveldbouwers hadden gewoond en waar vaak ook resten van Romeinse goederen werden gevonden, zullen zich kleine nederzettingen met landbouwers en schapenhouders hebben kunnen handhaven. Omdat het aantal opgravingen evenwel erg beperkt is, zijn nog geen overblijfselen van woningen, afvalkuilen of waterputten, noch restanten van smeden, pottebakkers e.d. gevonden. Daardoor is ons bijzonder weinig bekend over vroegere bewoners. Berst heel recent, in 1993, zijn in het gehucht Laar, noord-oost van Weert, resten uit de Romeinse tijd gevonden van een grote boerderij, waarbij wat aardewerk en enkele bronzen voorwerpen (1). Hopelijk zal bij de verdere ontsluiting van Molenakker nog meer worden gevonden.

De oudste akte is gedateerd 1062. Ze heeft betrekking op de overdracht van landgoede­ren, hofsteden en mensen (!) in Werthe aan de Sint Servaaskerk te Maastricht door Otto markgraaf van Thüringen en zijn vrouw Adela gravin van Leuven (2). Bij de nieuwe indeling van Maastricht van 1204 moest het Sint Servaaskapittel afzien van niet kerkelijke goederen; de Heer van Hom kreeg toen zeggenschap in het Land van Weert. In 1296 sloot Willem Hl Heer van Hom en van het Land van Weert een verdrag met zijn neef de Heer van Bocholt (ten zuid-westen van Weert in België) waardoor hij gerechtigd werd om vanuit de Aa-beek een aftakking te maken naar Weert. Hij verkreeg daardoor onder andere de mogelijkheid om de gracht rondom zijn zojuist voltooide Aldenborgh van water te voorzien. In 1481 werd de door de Bocholterbeek af te nemen hoeveelheid water verdrievoudigd (3). Mede omdat Roermond de Maas, die langs Hom stroomde, in 1342 had verlegd door een oudere bedding pal langs Roermond, werd de residentie van Hom overgeplaatst naar Weert, waar een nieuw kasteel werd gebouwd (4). Later werd Weert omgeven met een vestingwal, zes poorten en valbruggen (2).

Hoewel Weert de enige stad was in het graafschap Hom, kon het zich, ten gevolge van de vele “buitenijen” binnen het beperkte landbouwgebied, nauwelijks uitbreiden. Weert had, doordat de vele schapen die op de uitgestrekte heidevelden rondom het Peeleiland een bijzondere kwaliteit wol leverden, reeds in de 13e eeuw een bloeiende lakennijverheid: spinners, wevers, volders en drapeniers. In 1360 had Weert al een eigen schepenbank. In 1414 kreeg het markt- en cijnsrecht, waardoor regionaal bekende en drukbezochte goederen- en paardenmarkten konden ontstaan.

Vooral de wol- en lakenexport ontwikkelde zich gunstig, niet alleen naar westelijk Brabant, met eigen lakenhallen in Antwerpen en Bergen op Zoom (5), maar later ook via Holland naar Engeland. Het grafelijke hof en de kloosters zorgden, door hun contacten naar buiten, eveneens voor meer welvaart. Het Peeleiland Weert was tot de 15e eeuw, behalve via enkele moeilijk begaanbare oude zandpaadjes, met paard en wagen slechts langs twee wegen te bereiken, namelijk in zuid-oostelijke richting over de Moosdijk naar Swartbroek en een minder goede naar Tungelroy.

 

 

Er wordt wel eens gesteld dat Weert sedert de 13e eeuw een belangrijk kruispunt was in de handelsroute tussen Vlaanderen en Duitsland. Maar dat is zeker niet juist, omdat er vanuit Weert tot in de 18e eeuw geen handelswegen waren naar noord, oost of west. Dit was wel het geval met Stramproy, dat binnen het vorstendom Thom was gelegen. Ook was er eeuwenlang bijvoorbeeld geen behoorlijke verbinding tussen Leveroy en Neder- weert, behalve langs een enkel moeilijk begaanbaar zandpaadje. Op de franstalige Harre wijnkaart uit 1712 staat slechts een zandweg, “Le Choeldick-passage”, van Leveroy-Drentershoek naar Nederweert-Eind aangegeven. Het is dan ook niet verwonder­lijk dat het merkwaardige Nederweertse dialect de taal in Leveroy weinig heeft beïnvloed.

Toch was Weert tegen 1550 tot een grote bloei gekomen. De plunderingen in 1456, 1486 en 1501 door ongeregelde legerbenden bleken achteraf snel vergeten incidenten te zijn. Maar de Landen van Hom en Weert kregen vanaf 1572, tijdens de tachtigjarige oorlog tegen Spanje, veel meer te lijden door invallen van troepen van de Republiek der Verenigde Zeven Provinciën, vooral rond 1600. In 1633 werd Weert weer ernstig geplun­derd. Later werd het er niet beter op door invallen van Franse (1667/97) en Duitse troepen tijdens de Spaanse successie-oorlog (1702/13).

Wij zagen al eerder dat een vergroting van het Peeleiland door randontginningen, vooral door de geringe mogelijkheden van bemesting en de beperkte hoeveelheid water, weinig succesvol was. Het herstel van de handel en nijverheid in het Land van Weert, dat door zijn slechte weg- en waterverbindingen in een uithoek ten opzichte van de rest van Nederland lag, werd eerst onder het Frans bewind omstreeks 1800 opnieuw gestimuleerd.

De aanleg van de Noordervaart langs Weert en Nederweert naar Meijel, als onderdeel van een kanaal van Antwerpen naar de Rijn, werd in 1806 afgebroken. Toch kon een gedeelte ervan in 1826 gebruikt worden voor de Zuid-Willemsvaart tussen Maastricht en ’s-Herto- genbosch. Maar met ontginningen bleef het slecht gesteld. Ospel dat het gunstigst gelegen was voor uitbreidingen, blijkt in de oostelijke richting zelfs tussen 1837 en 1892 nauwe­lijks nieuw land te hebben bijgewonnen. Alleen ten zuiden van de Noordervaart is tegen 1890 een flink stuk van De Zoom onderhanden genomen. Eerst na 1945 werden, op enkele natuurgebieden na, vrijwel alle resterende stukken van de Peel ontgonnen.

De spoorlijn van Weert met Roermond, die in 1879 werd geopend, had een gunstig effect op de ontwikkeling van de streek. Maar het duurde tot 1913 voordat Weert via Eindhoven een directe spoorverbinding kreeg met de rest van Nederland; die van Eindhoven naar Venlo dateerde al van 1866.

1.

2.

3.

4.

5.

6.

RAEMAEKERS LH : DOPPLER P :

WINJThHde:

HENKENS J : GUUCK FW van :

WINJThHde, HENKENS Jen TUB4ECHÏ :

“Laar, namen en bijnamen”, Weert, 1993.

“Verzameling van charters en bescheiden m.b.t. het Vrije Rijks Kapittel van St.Servaas te Maastricht, vanaf 800” in PSHAL 1930, pp.201-230. “Minder bekende facetten van Stad en Land van Weert” in De Maas­gouw, 1957, k. 161-178.

“De Bocholter Beek” in De Maasgouw, 1957, k.149.

“De twee kastelen van Weert” in De Maasgouw, 1968, pp.98-118.

Een fraaie maquette is te zien in het museum De Tiendschuur.

‘Repertorium Historie van Weert”, Maastricht/Weert, 1956/1961/1992.

 

 

 

  1. De schansen van Leveroy

Vooral vanaf het laatste kwartaal van de 16e eeuw waren er plunderingen, afpersingen en brandstichtingen door rondzwervende huurtroepen. Om zich enigszins te beschermen werden zogenaamde vluchtschansen aangelegd. Dit zijn moeilijk toegankelijke eilandjes in een soppig moerasgebied. Ze waren omgeven door een brede gracht met ophaalbrug en met struikgewas begroeide aarden wallen. De schansen in Oost-Drenthe hadden de functie van permanente verdedigingswerken; die in de Peel dienden slechts om de bewoners en een gedeelte van have en goed enkele dagen onderdak en veiligheid te verschaffen, al had elke schans wel een militair reglement.

Op ongeveer een kilometer ten noorden van Maxet, ten zuiden van de Schansweg, lag achter de Leveroyse beek een thans afgegraven schans van 90 bij 57 meter, met een gracht van wel 7 m breedte. Op nog geen twee honderd meter ten noord-westen van de kerk van Leveroy, binnen een maisveld van de familie Kuppens pal achter de beek, was een schans van 90 bij 50 m, met beperkte maar snel bereikbare onderkomens voor buurtgenoten. Beide schansen zijn op meerdere oude kaarten aangegeven, ook op minuutplans van 1838 van het Kadaster (1). De omgeving van beide schansen kon in korte tijd onbegaanbaar worden gemaakt, dank zij de erlangs stromende beek. Rondtrek­kende rovende benden bleven vaak niet dagenlang wachten tot het terrein weer minder drassig zou zijn geworden (2). Aan dezelfde beek was ten noorden van Heythuysen een “groote schans” gelegen. Ook Roggel, Swartbroek en Tungelroy hadden schansen. Het Weerter Peeleiland heeft er zelfs zeven gehad (3); een daarvan werd op sommige kaarten foutief als “Fort Moesel” aangegeven.

Enkele schansen werden later gebruikt om er schoollokaaltjes of zelfs een kerkje op te bouwen. Aan de Schansbeemdweg in Boshoven liggen nog goed herkenbare restanten van een oude schans met gracht; het archief te Weert bezit een situatieschets van deze schans uit 1830 waarop een hondertal genummerde perceeltjes zijn aangegeven.

  1. Tranchot-kaart (1805) en topografische kaart nr.58 van 1844.

Kadastraal minuutplan 1838, Heythuysen, sectie G 1, Maxet, nrs.2 en 3.

Kadastraal minuutplan 1838, Nederweert, sectie G 1, Lijveroij, nrs.69 en 70.

Op een luchtfoto, in 1964 opgenomen ter gelegenheid van het 75-jarig jubileum van de Rabobank te Leveroy, zijn de contouren van de kleinste schans nog te onderscheiden.

  1. Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel, Maxet nr.2: moeras 2290 m2 en nr.3: hakhout 5150 m2.
  2. “Schansboek van Keent en Moesel, 1774-1846”, 43 pp. (reglement en jaarafrekeningen). HENKESS ƒ.: “Een schansreglement uit Weert” in De Maasgouw, 1981, k. 177-183

 

 

  1. Leveroy na 1800

Wij hebben reeds eerder gezien dat de nabij de kerk van Leveroy gelegen boerderijen van onze voorouders Houben in Maxet op het grondgebied van Heythuysen waren gelegen. De in de Franse tijd ingevoerde gemeentegrens tussen Nederweert en Heythuysen viel grotendeels samen met de vroegere grens tussen de Landen van Weert en Hom. Eerst onlangs is de grens enkele honderden meter naar het oosten verlegd.

Dat de ontginningen van het veen en heidegebied ten noorden van Leveroy tot voor kort zeer beperkt zijn gebleven, is goed te zien door opeenvolgende topografische kaarten te vergelijken. Ook de latere trapsgewijze veranderingen in het landschap zijn duidelijk te volgen. De eerste betrouwbare, gedetailleerde topografische kaart van het voor ons van belang zijnde gebied, is de gekleurde kaart nummer 38 van Tranchot uit 1805. Daarop volgen kaarten van de Topografische Dienst die zijn opgemeten in 1838 (ten dele aangevuld en afgedrukt in 1844), 1892, 1907 en 1988 – alle op schaal 1/25.000 – en kadastrale minuutplans uit 1837 op schaal 1/2500.

Eenzelfde gedeelte van het centrum van Leveroy van de kaarten uit 1805, 1844, 1907 en 1988 is in de afb.3 t/m 6 op schaal 1/25.000 weergegeven (1 mm = 25 meter).

Er is een frappante overeenkomst tussen de Tranchotkaart, de kadastrale minuutplans van 1837 en de topografische kaart van 1844. Maar van groter belang is dat uit de vele studies, die van de meer dan 250 Tranchotkaarten gemaakt zijn, gebleken is dat zij grotendeels overeenkomen met de situatie in de Late Middeleeuwen.

Wel werd nu een groot aantal heidepaadjes aangegeven en bijzonder is de duidelijke perceel-afscheiding. Reliëf is op de kaart gearceerd weergegeven. Akker- en braakland is witgeel van kleur, weiden zijn lichtgroen, hooiland meer donkergroen, “woeste gronden” zijn gevlekt van geel-, groen- tot bruinkleurig. Hakhout is fijn gestippeld, bos en boomgaarden zijn van kleine boompjes voorzien.

Op de oudste kaarten valt direct de machtig kronkelende Tungelroyse Beek op, die overigens vaak anders werd genoemd. In 1817 is met rode letters aan de zuidkant van de beek “Leveroyse molen” bijgetekend (23 mm links van een loodlijn door Liesjeshoek).

Aan beide zijden van de beek zijn een groot aantal kleine kavels met grasland te onder­scheiden. In de crisistijd rond 1937 werd zij in het kader van werkverschaffing gekanali­seerd; het landschap is er bepaald niet fraaier door geworden.

Met de kleinere meer noordelijk gelegen Leveroyse Beek gebeurde hetzelfde na de laatste wereldoorlog; het waterpeil is er nu zo sterk verlaagd dat ze vaak droog ligt.

In de meest noordelijke bocht van de Tungelroyse Beek werd al heel lang geleden een voetbrug aangelegd. Daar begon de eeuwenoude weg naar Heythuysen – de zogenaamde Heerbaan – die verder westelijk vrijwel recht naar Weert doorliep.

Vanaf dit belangrijke punt in “Lysjenshoek” loopt een korte weg noordelijk naar de kerk van Leveroy. De kaart van 1805 toont een beperkte bebouwing ten westen en zuiden van de kerk. Ten oosten van de kerk staat opa’s boerderij – die als muurankers het jaartal 1804 toont – en tussen beide in de omstreeks 1924 afgebroken oude kapelanie. Dicht bij de beemdgronden bij de Deckerstraat ziet men een concentratie van een achttal gebouwen en in Maxet rondom “Scheyvenhof” een tiental. Bij sommige zijn de tuinen zelfs goed te onderscheiden. Van enkele verspreide boerderijen is de naam vermeld: Sillen, Drenten, Kruchten, Hermans, by Schreurs, te Rugters, aen de Berg, te Philipse, de Wien,

 

 

Onder Wien, te Bosser, te Craemer, te Vlaenders, de Kragt, de Drink e.a.

Ferraris geeft aan dat er in 1775 over de Tungelroyse Beek negen houten bruggen bestonden, maar die bij Leveroy was alleen geschikt voor personenverkeer (1). Omstreeks 1840 (2) waren er in de gemeente Nederweert 3 windmolens, 1 watermolen, 4 ros-olie- molens, 3 bierbrouwerijen, 1 branderij en 3 leerlooierijen aanwezig en in Heythuysen respectievelijk 1, 1, 0, 3, 2 en 2.

Tot 1892 strekten de genummerde kadastrale percelen zich in het westen van Leveroy vanaf de beek tot hoogstens 750 m naar het noorden uit, in het centrum tot bijna \lh km en in Maxet nog iets verder. In Maxet waren in 1907 nog flinke stukken bos en struikgewas aanwezig. De verkaveling van het gebied ten noorden van de Leveroyse Beek, waarvan op kaarten van 1844 een begin is te zien, blijkt in 1907 tot grote percelen te hebben geleid. Maar de ontginningen van de woeste gronden ten noorden daarvan zijn nog beperkt. Op een enkele Tranchotkaart zijn in het heidegebied, ver van de bewoonde wereld, schaapskooien getekend waar de herder met zijn schapen en honden de nachten konden doorbrengen; maar op kaart 38 is dat niet gebeurd.

Op de minuutplans van 1837 zijn alle gebouwen en percelen op schaal ingetekend en van een kadastraal nummer voorzien; dit zal in Deel n.4 worden behandeld. Eerst de (niet afgebeelde) kaart uit 1892 toont een duidelijke toename van het aantal boerderijen, terwijl die van 1988 in de omgeving van de kerk een bouwexplosie te zien geeft. Men had toen wel de gelegenheid, maar helaas te weinig interesse om de bodem te onderzoeken op resten van oude boerderijen, afvalpunten, aardewerk, brons en andere zaken die in de tijden van onze voorouders in de bodem verdwenen waren.

Van de strook tussen de oude Heerbaan en de Tungelroyse Beek zijn in 1844 slechts de noordelijke percelen als akkerland aangegeven. Op de minuutplans van 1837 staan daarin namen als: Rensberg, Coener dennebosch, hoge Eycke, Keirenheide e.a. Het hoogtever­schil met de beek is soms meer dan vier meter.

De weg van Heythuysen werd omstreeks 1900 vanaf het kapelletje in Maxet rechtstreeks naar de kerk van Leveroy doorgetrokken. Bij de ruilverkaveling van 1988 zijn diverse correcties aan wegen uitgevoerd.

  1. FERRARIS J.de : “Memoires concemant la Feuille O 16”, 1775 (zie jbtfd.7)
  2. Oorspronkelijk Aan wijzende Tabellen (O AT) bij kadastrale gegevens, 1840.

 

 

  1. Landkaarten van het Zuidelijke Peelgebied

Omdat het archievenonderzoek naar geschreven documenten over Leveroy omstreeks 1250 volledig vastliep, was ik gedwongen om naar andere bronnen voor informaties te zoeken. Er zijn meerdere dorpen zoals Leveroy, die aan de zuidrand van de Peel op een overeen­komstige manier tot ontwikkeling zijn gekomen. Daarom was het nodig om over goede geografische kaarten over dat gebied te kunnen beschikken. Ik heb mij beperkt tot het Land van Weert en een groot gedeelte van het Land van Hom of, meer in het bijzonder, over het gebied ten noorden langs de Tungelroyse Beek.

Het uitgestrekte gebied ten zuiden van de Beek heb ik zoveel mogèlijk buiten beschou­wing gelaten, ofschoon ook daarover tot nog toe veel te weinig gepubliceerd is.

De nog vrij jonge wetenschap, die historische landschapsgeografie heet, heeft aan dit gehele gebied nog geen aandacht besteed.

De opmetingen die nodig zijn voor het maken van landkaarten, waren vroeger vooral het werk van geografen. Deze hadden bij het samenstellen van de kaart de hulp nodig van een bekwane tekenaar. Vervolgens diende een graveur de kaart nauwkeurig op een koperplaat over te brengen, soms deed een houtsnijder dat in niet te zacht hout. Tenslotte diende de kaart gedrukt, eventueel ingekleurd én uitgegeven te worden.

Dit alles gebeurde eerst sedert het midden van de 16e eeuw. Spoedig daarna ontstond de behoefte aan atlassen, waarin een aantal kaarten werd bijeengebracht. De uitgever daarvan was veelal genoodzaakt om kaarten van meerdere makers bij elkaar te zoeken.

Het ligt voor de hand dat de vrij kostbare kopergravures en houtsneden later door andere uitgevers werden opgekocht, die ze lieten aanvullen en verbeteren. Ook werden kaarten nagetekend, ten dele met een eigen bewerking.

Op deze manier zijn vele fouten overgenomen en werden er nieuwe bijgemaakt. Omdat op de meeste kaarten niet vermeld werd wie de oorspronkelijke geograaf was, maar soms wel de naam van de graveur of van de uitgever, is achteraf slechts door een moeizame studie vast te stellen op welk origineel een kaart betrekking heeft. Men heeft vroeger kennelijk niet de moeite genomen om nauwkeurige metingen uit te voeren van het Zuidelijke Peelgebied. De gegevens van vóór 1775 zijn dan ook verre van betrouwbaar.

  1. Een der oudste kaarten, waarop “’t Landt van Hoem” met Weert, Leveroy en Heythuysen, is van de hand van Jacob van DEVENTER (Antwerpen, 1536; ’s-Gravenhage, 1941, pl.2 Brabant-Limburg). Er staan helaas nogal wat onnauw­keurigheden op afgebeeld: zo stroomt een riviertje vanuit België, ten noorden van Weert, Leveroy en Heythuysen naar Neer. Gedurende maar liefst tweehonderdvijf- tig jaar werd de Tungelroyse Beek op vrijwel alle kaarten op deze foutieve manier overgenomen. Dat geldt ook voor de zuidgrens van de Peel, die absoluut verkeerd eindigt bij de noordgrens met het oude graafschap Hom (zie afb.1). De oostgrens van de Peel werd te ver westelijk, in plaats van vaak vrij dichtbij de Maas getekend. Op meerdere kaarten is het vorstendom Thom zelfs ten onrechte binnen het graafschap Hom opgenomen.

De thans nog vaak gereproduceerde kaart “Ducatus Limburg urn” van Aegidius MARTINI (1603) heeft slechts betrekking op het voormalige Belgische hertogdom Limbourg.

 

 

  1. Landkaarten van het Zuidelijke Peelgebied

Omdat het archievenonderzoek naar geschreven documenten over Leveroy omstreeks 1250 volledig vastliep, was ik gedwongen om naar andere bronnen voor informaties te zoeken. Er zijn meerdere dorpen zoals Leveroy, die aan de zuidrand van de Peel op een overeen­komstige manier tot ontwikkeling zijn gekomen. Daarom was het nodig om over goede geografische kaarten over dat gebied te kunnen beschikken. Ik heb mij beperkt tot het Land van Weert en een groot gedeelte van het Land van Hom of, meer in het bijzonder, over het gebied ten noorden langs de Tungelroyse Beek.

Het uitgestrekte gebied ten zuiden van de Beek heb ik zoveel mogèlijk buiten beschou­wing gelaten, ofschoon ook daarover tot nog toe veel te weinig gepubliceerd is.

De nog vrij jonge wetenschap, die historische landschapsgeografie heet, heeft aan dit gehele gebied nog geen aandacht besteed.

De opmetingen die nodig zijn voor het maken van landkaarten, waren vroeger vooral het werk van geografen. Deze hadden bij het samenstellen van de kaart de hulp nodig van een bekwane tekenaar. Vervolgens diende een graveur de kaart nauwkeurig op een koperplaat over te brengen, soms deed een houtsnijder dat in niet te zacht hout. Tenslotte diende de kaart gedrukt, eventueel ingekleurd én uitgegeven te worden.

Dit alles gebeurde eerst sedert het midden van de 16e eeuw. Spoedig daarna ontstond de behoefte aan atlassen, waarin een aantal kaarten werd bijeengebracht. De uitgever daarvan was veelal genoodzaakt om kaarten van meerdere makers bij elkaar te zoeken.

Het ligt voor de hand dat de vrij kostbare kopergravures en houtsneden later door andere uitgevers werden opgekocht, die ze lieten aanvullen en verbeteren. Ook werden kaarten nagetekend, ten dele met een eigen bewerking.

Op deze manier zijn vele fouten overgenomen en werden er nieuwe bijgemaakt. Omdat op de meeste kaarten niet vermeld werd wie de oorspronkelijke geograaf was, maar soms wel de naam van de graveur of van de uitgever, is achteraf slechts door een moeizame studie vast te stellen op welk origineel een kaart betrekking heeft. Men heeft vroeger kennelijk niet de moeite genomen om nauwkeurige metingen uit te voeren van het Zuidelijke Peelgebied. De gegevens van vóór 1775 zijn dan ook verre van betrouwbaar. I.

[1]          Een der oudste kaarten, waarop “’t Landt van Hoem” met Weert, Leveroy en Heythuysen, is van de hand van Jacob van DEVENTER (Antwerpen, 1536; ’s-Gravenhage, 1941, pl.2 Brabant-Limburg). Er staan helaas nogal wat onnauw­keurigheden op afgebeeld: zo stroomt een riviertje vanuit België, ten noorden van Weert, Leveroy en Heythuysen naar Neer. Gedurende maar liefst tweehonderdvijf- tig jaar werd de Tungelroyse Beek op vrijwel alle kaarten op deze foutieve manier overgenomen. Dat geldt ook voor de zuidgrens van de Peel, die absoluut verkeerd eindigt bij de noordgrens met het oude graafschap Hom (zie afb.1). De oostgrens van de Peel werd te ver westelijk, in plaats van vaak vrij dichtbij de Maas getekend. Op meerdere kaarten is het vorstendom Thom zelfs ten onrechte binnen het graafschap Hom opgenomen.

De thans nog vaak gereproduceerde kaart “Ducatus Limburg urn” van Aegidius MARTINI (1603) heeft slechts betrekking op het voormalige Belgische hertogdom Limbourg.

 

 

Op de grote Oostenrijkse manuscriptkaart van Joseph graaf de FERRARIS nr.15 (1/86.400): “Carte chorographique des Pays-Bas Autrichiens”, Venlo et Ruremon- de” (1775) – waarop het gebied westelijk van Venlo en Roermond tot iets voorbij Weert – staat het grote Zuidelijke Peeleiland met Weert, Ospel en Nederweert, voor het eerst duidelijk aangegeven. De gekleurde reproducties van 275 deelkaar- ten, op schaal 1/25.000 heruitgegeven door de Bibliothéque royal de Belgique (Bruxelles, 1965), tonen percelen en veel andere details, een enorme verbetering ten opzichte van alle vroegere kaarten. Op kaart “Swalmen” nr.227 (Z16,l) staan Heythusen, Rochel en Neer, en op kaart “Weerdt” nr.206 (G16,2) staan Millerdt, Leveroy en Heythusen. Jammer genoeg blijken meerdere details bij nadere bestudering voor ons doel toch nog niet voldoende betrouwbaar. In 1976 zijn te Brussel de “Memoires” in boekvorm uitgegeven, waarin de originele bij deze kaarten behorende teksten als fotocopieën zijn opgenomen (pp.47-53 bij G16 en pp. 167-178 bij Z16).

De gekleurde Franse J.J.TRANCHOT-kaarten van 1805, mogen als de vroegste met een topografische nauwkeurigheid worden beschouwd. De heruitgave door het Landes-Vermessungsamt Nordrhein-Westfalen (1969), op schaal 1/25.000, is voortreffelijk. De kaart “Heythuisen” nr.38 geeft veel details scherp weer (zie Deel 1.6, afb.3). Graatsma B.G. heeft er in 1993 een tentoonstelling en een boek aan gewijd: “Limburg 1802-1807, de Tranchotkaart als informatiebron”, Maas­tricht, 1993.

De oudste zwart/wit minuutplans van het Kadaster (Roermond), 1838, 1/2.500, geven uiteraard zeer nauwkeurige details van alle percelen, gebouwen en wegen.

Het type bebouwing is evenwel niet aangegeven (zie afb.10). De kaart van Nederweert, sectie G 1, omvat het westelijk gedeelte van Lyveroy: de kerk heeft kadastemummer 540, de schans nr.69; de kaart van Heythuysen, sectie G 1, omvat het aansluitende gebied van Maxet: opa’s boerderij is nr.332, by Schreurs nr.334, Scheyvenhof nr.618 en de Maxeter schans nr.3.

De oudste Nederlandse topografische kaart (nr.58 1) van dit gebied is verkend in 1838. De nettekening is iets minder duidelijk dan de Tranchotkaart. Beter zijn de kaarten uit 1892 (Baexem nr.738), 1907 (Baaksem nr.738) en 1988 (Nederweert nr.58A en Thom nr.58C), alle 1/25.000 (zie Deel 1.6).

De Grote Historische Atlas van Nederland van 1838/57 (Groningen, herdruk 1990), deel 4, Zuid Nederland, 1/50.000, komt grotendeels met de topografische kaarten overeen. De Grote Topografische Atlas van Nederland van 1972/86, deel 4, omvat hetzelfde gebied. In de “Foto-Atlas Limburg” van de Topografische Dienst, Emmen, 1990, 1/14.000, is geheel Limburg in 270 scherpe luchtfoto’s is weergegeven.

 

 

 

DEEL II

NDe Geschiedenis van ons Limburg”

  1. Het ontstaan van Limburg Vroegere Heerlijkheden

Het hertogdom Neder-Lotharingen, dat na de dood van Karei de Kale (t 877) was ontstaan, omvatte Oost-België, Nederland en Noordwest-Duitsland. Maar omstreeks 1000 bleek het nog slechts te bestaan uit een groot aantal graafschappen en kleine heerlijkhe­den, waaronder Hom, Kessenich, Weert en Wessem. Spoedig daarna werden door de Duitse keizer (1) over zijn hele gebied rijksvorsten aangesteld, zoals de piins-bisschoppen van Luik, vorstin-abdissen van Thom, paltsgraven – later hertogen – van Brabant, Geldem, Limbourg en Luxemburg, en graven zoals die van Gulik (=Jülich), Kleef en Loon. Bovendien konden gedeelten van de heerlijkheden tegen bepaalde tegemoetkomin­gen worden verkocht, verpand, beleend of geschonken aan personen, die zich dan voor een bepaalde tijd “Heer of Vrouwe van …” mochten noemen. Een leenheer kon op basis van aan de bevolking opgelegde bos-, geleide-, grond-, jacht-, markt-, mijn-, vis-, zegel­en andere vrij willekeurige “rechten”, geld van hen vorderen en tol heffen. Voogdij over een landstreek had formeel meer betrekking op ambtelijk toezicht. Beide functies konden worden doorgegeven als onderleen of ondervoogdij.

Grenzen van Limburg

Het Verdrag van Augsburg in 1548 scheidde de landen van de Bourgondische Kreits (Habsburgse Nederlanden) en die van de Westfaalse Kreits (Kleef, Gulik, Hom/Weert, Thom e.a.). Daarmee werd de westgrens van het huidige Limburg in grote lijnen vastgesteld. De zuidgrens werd ten opzichte van het hertogdom “Limbourg” reeds in 1288 grotendeels een feit en ten opzichte van het Land van Dalhem ten dele in 1661 en voor de rest in 1748.

Het Franse Departement van de Nedermaas van 1794 met Maastricht als hoofdstad omvatte o.a. het Belgische graafschap Loon, de steden Maastricht, Roermond, Venlo en Weert, het Oostenrijkse Overkwartier van Gelre en het grootste gedeelte van de landen van Overmaas. Daarbij behoorden meerdere vrije heerlijkheden en enkele kleine gebieden die later Duits werden, zoals Alsdorff, Elmpt en Nedercruchten. Een smalle strook ten noorden van Neer en Venlo, Tegelen en het gebied van Melick-Herkenbosch en dat rondom Sittard kwamen bij het Departement Roer met Aken als hoofdstad. In october 1815 werden ai deze gebieden, ondanks grote tegenstand van Pruissen, tot een nieuwe provincie binnen het Koninkrijk der Nederlanden gebundeld onder de naam Limburg. Het Congres van Wenen stelde de oostgrens vast. Daarmee werden de eeuwenlange banden met het Duitse Kleve, Geldem en Jülich verbroken.

 

 

Handel en ny verheid

De Maas en de Roer, waren eeuwenlang enerzijds van groot belang voor goederenver­voer, anderzijds tot 1801 als bron van inkomsten door vele tolheffingen. Maastricht was de belangrijkste doorvoerplaats voor hout, leder en pelswerk uit de Ardennen, natuursteen uit Namen, steenkool uit Luik, metaalwaren uit Dinant, Hoei en Namen, laken en granen uit Midden-Limburg, blauwe mede-kleurstof uit Gulik via Roermond, papier uit Gennep, bakstenen en pannen uit Tegelen enz. Later had men er leerlooierijen, een eigen papierfa- biikage, jeneverstokerijen, bierbrouwerijen, tabak-, meekrap-, suiker- en dchorei-cultu- res. Vaals had een niet onbelangrijke koper- en messingindustrie (zinkerts uit mijnen van het aangrenzende Moresnet).

De Nederlandse provincie Limburg

In 1814 werd het voormalige Belgische hertogdom Limbourg een onderdeel van de provincie Luik. Koning Willem I wilde deze historische naam echter niet laten verdwijnen en koos de naam “Hertogdom Limburg” voor de nieuwe provincie, zelf werd hij nu Hertog van Limburg. Deze provincie had evenwel geen geografische relatie met het vroegere hertogdom. Veel gedeelten van deze nieuwe provincie kwamen voor het eerst bij (het Koninkrijk van) de Nederlanden. Bij de Belgische opstand van 1830 scheidde de provincie zich vrijwel in haar geheel van “Holland” af. Maar in 1839 werd het oostelijke deel als hertogdom Limburg weer aan Willem I toegewezen en werd de Maas de westgrens voor het zuidelijke deel, behalve voor Maastricht. De huidige Nederlandse provincie Limburg werd tot 1867 tevens lid van de Duitse Bond. Staatsrechtelijk werd het hertogdom eerst in 1906 opgeheven.

De naam Limburg

Uit de historie van de vier graafschappen Limburg blijkt dat het stamslot van het geslacht gezocht moet worden in Limburg aan de Lahn (ten oosten van Koblenz). Bij het doipje Linter, iets ten zuid-oosten van de stad Limburg, ontspringt een beekje dat vroeger Linter- of Lintbach werd genoemd. Daar, waar deze beek in de Lahn uitmondt, stond in de karolingische tijd, hoog op een steile rots, een voor die tijd indrukwekkende burcht: de Lintburk. Reeds vóór 1050 werd die naam vereenvoudigd tot Limburg. Naast het kasteel, ontstond al vóór 900 een kerlge dat, na een geweldige uitbreiding, in 1235 de status van domkerk kreeg. Beide zijn nu van verre zichtbaar. Het plaatsje aan de monding van de Lintbach kreeg, evenals de kasteelheer, dezelfde naam als de burcht. Het heeft zich tot een aardig stadje met prachtige middeleeuwse steegjes en geveltjes ontwikkeld. In de toponiemen-literatuur – waarvan ik slechts de beste vermeld (2) – worden meerdere betekenissen van de naam Limburg aangegeven, meestal zonder de noodzakelijke aandacht te besteden aan historische relaties. Tummers was zelfs in staat om een tiental burchten pp te sommen met een naam die lijkt op Limburg (3).

Een lid van deze grafelijke Limburg-familie was de moeder van Frederik hertog van Neder-Lotharingen. Diens dochter Judith huwde Walram Udo graaf van Arlon en kreeg het – door hem op de graven van Chiny veroverde – kasteel aan de rivier de Vesdre, ten oosten van Luik, als huwelijksgeschenk.

 

 

Dat kasteel en het erbij ontstane plaatsje kregen de iets verfranste naam “Limbourg”. De kasteelheer verkreeg in 1101 de titel van hertog. Zijn hertogdom Limbourg was ten ruiden van onze provincie Limburg, doch vrijwel geheel in België, gelegen. Na de slag bij Woeringen in 1288 werd het hertogdom Limbourg ondergeschikt aan Brabant. Een latere afstammeling uit het geslacht beheerde sedert de 13e eeuw het Grafschaft Limburg aan de rivier de Lenne, ten zuid-oosten van Dortmund en een andere noemde zich Graf von Limburg-Styrum (Styrum ligt iets ten westen van Mülheim aan de Ruhr)(4).

De keizer van het Heilig Rooms-Duitse Rijk had recht op alle land en alles wat daarop aanwezig was. De bevolking werd aanvankelijk als lijfeigene, later als horige beschouwd.

BACH A :         “Deutsche Namenkunde”, Heidelberg, 1956 (2e druk,Teil n.1 en n.2).

TUMMERS PLM :         “Limburg” in Neerlands Volksleven, XXTV, Wassenaar, 1974.

ADERS G e.a. : “Die Geschichte der Grafen und Herren von Limburg und Limburg*

Styrum” Assen, 9 banden, 1961/76.

ERNST MSP :  “Histoire du Limbourg”, Liege, 1837.

LACOMBLET ThJ :       “Urkundenbuch fur die Geschichte des Niederrheins” DGsseldorf, 1840.

PETRI F, DROEGE G.: “Rheinische Geschichte” Düsseldorf, 1983, bd.I.3, p.67.

SCHOPPMANN W :      “La formation et le développement territorial du duché de Limbourg du

Xle siècle jusqu’en 1288”, Dison, 1964, pp,9-159.

VANDERKINDEREN L: “La Formation territoriale des Principautés Beiges au moyen age”, Bruxelles, 1902.

 

 

 

De belangrijkste Heerlijkheden

Hieronder volgt een beknopte samenvatting van vele heerlijkheden waaruit Nederlands Limburg is ontstaan. Vele kleine rijksheerlijkheden en de talloze tijdelijke regionale en plaatselijke overgangen in andere handen, door veroveringen of anderszins, worden niet vermeld (1).

Het hertogdom Brabant omvatte Zuid- en Noord-Brabant. Reeds omstreeks 1200 was het hertogdom Brabant een sterke landsheerlijke eenheid. Sedert 1204 had het rechten in Maastricht. Het graafschap Dalhem kwam in 1244 bij Brabant; de heerlijkheid Rode (Herzogenrath) en het hertogdom Limbourg in 1289 (de slag van Woelingen bij Keulen, in het gevecht van Brabant, Kleef, Gulik, Bergh en Hom tegen Limbourg, Gelre, Luxemburg en de bisschop van Keulen); Valkenburg in 1364; Heerlen in 1378. Brabant kreeg zo, behalve over het hertogdom Limbourg, ook zeggenschap over vrijwel alle deelgebieden van Zuid-Limburg, die werden aangeduid als de “Landen van Overmaas”. Hierdoor beheerste Brabant de belangrijkste handelswegen van Brugge, via Leuven en Maastricht naar Keulen.

Onder Keizer Karel V, hertog van Bourgondië, werd het gebied van de beide Nederlan­den voor het eerst een territoriale en dynastieke, maar nog lang geen nationale eenheid (1543). In 1568 onder zijn zoon Philips n, koning van Spanje, werd Brabant in feite een Spaans wingewest. Spoedig daarna gingen grote gebieden van de Landen van Overmaas en Noord-Brabant verloren aan de Republiek der Verenigde Nederlanden. Na 1714 werd het Oostenrijks en in 1795 Frans.

De Ryksheerlykheid Daelenbroeck omvatte enkele dorpen en gehuchten rondom Roer­mond: Herten, Merum, Ooi, Maasniel, Leeuwen, e.a. maar ook Wegberg, Ober en NiederCruchten. In 1711 werd het in meerdere gedeelten opgesplitst. Van het indrukwek­kende kasteel, dat nabij Herkenbosch was gelegen, zijn nog keldergewelven bewaard gebleven en bovendien enkele gerestaureerde bijgebouwen, die thans als restaurant/hotel dienstdoen.

Het graafschap Dalhem, een tweetalig gebied was grotendeels ten zuiden van zuidwest Limburg gelegen, maar Cadier, Mheer, Noorbeek en Oost (bij Eijsden) maakten er ook deel van uit. Het kwam in 1244 bij Brabant. Onder Philips II werd het gehele Land van Overmaas waaronder Dalhem, Spaans. In 1663 verkregen de Verenigde Nederlanden bijna de helft, o.a. de hoofdstad Dalhem, Cadier en thans in België gelegen Spaanse deel met het Franstalige steenkool- en ijzerertsgebied van Trembleur, Feneur en Bombaye, maar niet de Nederlandstalige Voerenstreek. Later kwam het resterende Spaanse deel aan Oostenrijk. In 1785 deden de Staten Generaal weer afstand van hun gebied, m.u.v. Cadier en Oost, in ruil voor enkele noordelijker gelegen dorpen. In 1795 werden van het Oostenrijkse gebied alleen Mheer en Noorbeek ingedeeld bij het Departement Nedermaas.

Hertogdom Gelre; omstreeks 1096 uit een relatie met een oorspronkelijk vlaams grafelijk geslacht. Geldem dat aanvankelijk als hoofdstad fungeerde, werd spoedig overvleugeld door Roermond (bijzondere graftombe van Gerard van Gelre en Margaretha van Brabant, t 1231, in de Munsterkerk te Roermond).

 

 

Bij Gelre behoorden ook Goch, het ambt Krieckenbeck (1243), het gebied van Montfort, Echt en Nieuwstad. Doordat Gelre tot de verliezers behoorde in de slag bij Woelingen in 1288, was verdere gebiedsuitbreiding naar het zuiden verkeken. Venray en het Land van Kessel werden in 1305 verkregen. Ten koste van de bisschop van Utrecht, kon het gebied met grote delen van het huidige Gelderland worden uitgebreid. Maar omdat Kleef hardnekkig vasthield aan zijn bezit van de monding van de Niers in de Maas, bleef er een wig bestaan tussen beide delen van Gelre. Zo ontstond de naam Overkwartier van Gelre of Opper-Gelre voor “onsen lande van Gelre van der Nyerssen opwart”, ook wel eens “dat overlande van Roirmunde” genoemd. In 1335 werden Roermond, Nijmegen, Zutphen en Emmerik als de belangrijkste steden in Gelre genoemd, later ook Venlo en Arnhem. In 1339 werd Gelre een hertogdom.

Na 1473 veroverden de Bourgondiërs gedeelten van het Overkwartier en de Veluwe. In 1543 gaf Gelre zich na veel strijd gewonnen.

Met de val van Nijmegen in 1591 werd de splitsing van het oude Gelre in het staatse Gelderland en het Spaanse Overkwartier definitief. Van dit laatste werd het noordelijke gedeelte, vanaf Kessel met Geldem als hoofdstad, in 1713 door Pruissen bezet. Venlo, het Land van Beesel en het Land van Montfort werden in 1716 Staats met Venlo als hoofdstad. Roermond en omgeving, het Land van Weert e.a. werden Oostenrijks, waarbij Roermond de hoofdstad bleef van het Overkwartier. Tegelen bleef bij Gulik. In 1794 werden Venlo en Oostenrijkse Overkwartier van Gelre een deel van het departement Nedermaas.

Hertogdom Gulik (Jülich). De graaf was in 1288 mede overwinnaar van Keulen. Geleidelijke uitbreiding van het gebied oostelijk van Limbourg en de Maas (Tegelen in 1305). Sedert 1393 hertogdom. Na een tijdelijke unie met Gelre in 1423 weer afgeschei­den met inbegrip van Sittard, Susteren en Bom; Waldfeucht, Melick, Herkenbosch, Dalheim in 1420 (van Brabant) en Tegelen. In 1609 stierf de laatste hertog en enkele jaren later kwam het gebied aan de graaf van de Palts (verdrag van Xanten). In 1715 werd het westelijke gedeelte Staatsbezit (Land van Montfort en Land van Beesel).

Land van Herzogenrath (’s-Hertogenrade of Rode) werd in 1288 Brabants, daarna achtereenvolgens Bourgondisch, Spaans, Oostenrijks en grotendeels Duits.

Land van Horn omvatte: Hom, Beegden, Wessem, Buggenum, Haelen, Neer, Roggel en Heythuysen. Hom was reeds in 1102 een leenheerlijkheid van het graafschap Loon; het opperleen was verleend door de prinsbisschop van Luik.

De Heer van Hom was in 1147 erfvoogd (zakelijk beheerder) van het Land van Weert.

De Heer van Hom was in 1258 ook ondervoogd van het gebied van de abdij/het stift te Thom geworden (in leen van Gelre, na 1568 van het prinsbisdom Luik), maar zijn invloed bleef er beperkt.

Tot 1568 was de Heer van Hom ook Heer van het land van Weert. Meijel was tot 1501 een vrije rijksheerlijkheid, maar werd in dat jaar door de Bourgondiërs onder de graaf van Hom gesteld. In 1450 werd Johan Heer van Hom door de keizer tot erfelijk graaf van Hora benoemd. Nadat de laatste graaf van Hora door Alva in 1568 was onthoofd, kwam het land van Hom in 1570 aan de graaf van Loon; dat was toen de prins-bisschop van Luik.

 

 

Het land van Weert werd evenwel ingedeeld bij het Overkwartier van Gelre en kwam zodoende onder Spaans bewind. Na de Spaans-Oostenrijkse successieoorlog (1701/13) werd dit gebied Oostenrijks. In 1794 werden de landen van Hom en Weert een deel van het Franse Departement Nedermaas (2).

Graafschap Kessel was verwant aan Gulik, maar kwam in 1305 aan Gelre.

Baronie van Kessenich, een vrij belangrijke heerlijkheid, was grotendeels in België ten westen en zuidwesten van Thom gelegen. Het omvatte ook Hunsel en Kinroy.

Hertogdom Kleef, incl. Mook, Gennep, Ottersum (1411) en Oeffelt (1543). Hertogdom sedert 1417. Sedert 1510 vormde het een hertogdom met Bergh en Gulik. Evenmin als Gulik werd het in 1543 bij het Bourgondische Rijk ingelijfd. In 1609 kwam het gebied in handen van Brandenburg/Pruissen.

Graafschap Loon komt grotendeels overeen met Belgisch Limburg, waarin Hasselt, St.Truiden, Tongeren, e.a. Waarschijnlijk ontstaan in de eerste helft van de 11e eeuw. De bisschop van Luik had er als opperleenheer een grote invloed. In 1361 overleed graaf Dirk zonder nakomelingen. De prins-bisschop van Luik werd toen graaf van Loon.

Prinsbisdom Luik omvatte beide Maasoevers vanaf Hoei en zuid van Limbourg, in 1366 ook het graafschap Loon. De bisschopszetel is er door St. Hubertus overgebracht uit Maastricht (717 n.C). In 1366 kwam het graafschap Loon bij Luik en in 1570 ook de jurisdictie over het Rijksstift van Thom en het Land van Hom.

De stad Maastricht had sedert 1204 twee Heren: de prinsbisschop van Luik en de hertog van Brabant. Maar veel eerder had de Rooms Duitse keizer het gebied van het Sint Servaas-kapittel tot Vrije Rijksheerlijkheid verklaard. In 1406 kwam Maastricht als een der eerste Nederlandse gebieden onder Bourgondische heerschappij; het Servaas-kapittel bleef nog ruim honderd jaar min of meer onafhankelijk. Na 1661 namen de Staten-Gene- raal der Verenigde Nederlanden de plaats van Brabant/Spanje in het condominium over. Tijdens de afscheiding van Limburg van 1830 tot 1839 was in Maastricht een “Hollands” garnizoen gelegerd.

Landen van Overmaas. Hieronder worden verstaan het Land van Dalhem, van Valken­burg en van Herzogenrath en enkele kleinere Heerlijkheden. Zij kwamen tussen 1250 en 1352 in handen van Brabant en niet veel later onder Bourgondische zeggenschap. Bij de vrede van Munster in 1648 werd over de Landen van Overmaas niet duidelijk beslist. Het Partage-Tractaat van 1661 bracht het grootste deel van het Land van Valkenburg en bijna de helft van Dalhem onder Staats beheer.

De rest van de Landen van Overmaas en vrijwel het gehele Land van Herzogenrath bleven Spaans; in 1714 kwamen zij onder Oostenrijk.

Vorstendom Thom, incl. Grathem, Baexem, Eli, Stramproy, Ittervoort en Neeroeteren. Graaf Ansfried II was de stichter van de abdij voor vrouwelijke religieuzen (992), maar reeds in 1172 werd deze omgevormd tot een meer wereldlijk stift, een soort kostschool voor hoogadelijke jongedames uit het Rooms-Duitse Rijk, onder leiding van een vorstin-

 

 

abdis en als Vrije Rijksheerlijkheid onder persoonlijk en permanent beschermheerschap van de Rooms-Duitse keizer. Sedert 1250 hadden de heren van Hom de ondervoogdij over Thom, maar in 1548 ging die over naar de prins-bisschop van Luik. Sedert 1512 had de abdis de titel van Rijksvorstin. Thom verloor zijn onafhankelijk eerst in 1794 (3).

Heerlijkheid Valkenburg was medeverliezer in 1288 in de slag bij Woelingen. Verloor Sittard e.a. aan Gelre. In 1352 werd het Brabants en onderdeel van de Landen van Overmaas; in 1568 werd het spaans en in 1661 grotendeels Staats.

Land van Weert strekte zich uit over een groot moerasachtig heide- en bosgebied en omvatte een in dat Peelmoeras gelegen groot eiland waarop Weert, Nederweert, Ospel en een aantal gehuchten waren gelegen, en de ten zuiden van de Peel gelegen plaatsen Leveroy, Tungelroy, Swartbroek, Oler en Kelpen, en later ook Meijel. In 1062 waren enkele landgoederen in “Werte” aan de Maastrichtse St.Servaas-proosdij geschonken (2), maar nog geen twee eeuwen later, toen de wereldlijke goederen van St.Servaas overgin­gen naar een twee-herig Condominium, vochten de Heren van Hom die rechten aan en kregen het gehele Land van Weert in leen. Na de onthoofding van de graaf van Hom werd het in 1570 ingedeeld bij Opper-Gelre, met als hoofdstad Roermond.

Vrye RyksheerLykheden: Elsloo, Panheel, Slenaken, Stein en Wijlre, de graafschappen Geleen, Gronsveld en Wittem e.a. (tot 1795).

Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kwam, zoals wij reeds zagen, in 1661 in het Land van Overmaas in het bezit van het grootste gedeelte van het Land van Valken­burg, het Vaalser deel van het Land van Herzogenrade en het westelijke gedeelte van het Land van Dalhem. In 1678 nam het de functie van Spanje over in het condominium van Maastricht. In 1715 bezette het van Opper-Gelre de stad Venlo, het Land van Beesel en het ten zuiden van Roermond gelegen Land van Montfort.

 

 

“Vorming van Heerschappijen op het Grondgebied in Limburg” in PSHAL 1911, pp. 1/259.

“De oorsprong van Limburg en Gelre”, Maastricht, 1938.

“Geschiedenis der Nederlanden, van Lotharingen naar Bourgondië”, Nijmegen, 1948.

“Limburg’s Verleden”, Maastricht, 1960, 528 + 879 pp.

“Geschiedenis van de beide Limburgen”, Assen, 1972, 209 +315 pp.

“Oorsprong en geschiedenis van de Limburgers”, Amsterdam, 1981.

WIN JTh de :    “Minder bekende facetten in de Bestuursgeschiedenis van Stad en T^and

van Weert” in de Maasgouw, 1957, pp. 161/178 en 1958, pp. 13/22 en 33/44.

Hom is het Duitse woord voor hoorn, het symbool van een jagermeester. De Heren van Hom waren krachtens een oorkonde van 1062 van keizer Hendrik IV gerechtigd als erfelijke opperjager­meesters van het Rooms-Duitse keizerrijk om drie jachthoorns in hun wapen te voeren (x, p.163). Het wapen met de drie jachthoorns komt o.a. voor op de wapenschilden van de koningin, van onze provincie Limburg, van Beegden, Haelen, Heythuysen, Hom, Hunsel, Neer Weert en Wessem, maar ook van enkele plaatsen in de aangrenzende verwante Noord-Brabantse baronie van Cranen- donck: Budel, Eindhoven, Heeze, Leende, Loon op Zand en Moergestel.

HABETS J :      “De Archieven van het Kapittel der Hoogadelijke Rijksabdij te Thom,

van 966 tot 1550”, Den Haag, 1889.

HOUTMORTELS J :      “Thom, zetel van een Hoogadelijke Abdij en Vorstendom”, Thom, 1963.

Voor Limburg zijn historisch van belang:

1473/1543 Bourgondië onderwerpt geheel Gelre; vrede van Venlo.

1568/1648 Tachtigjarige oorlog tussen de Verenigde Nederlanden en Spanje;

1618/1637 het Overkwartier van Gelre weer in Spaanse handen;

1661     Partage-Tractaat: Landen van Overmaas opgesplitst.

1702/1713 Spaanse successie-oorlog; vrede van Utrecht: Spaanse gebieden werden Oosten­rijks: het Overkwartier van Gelre werd in drieën gesplitst.

1789/1794         uiteindelijk verloren coalitie-oorlog tegen inlijving bij Frankrijk.

1830/1839         Belgische opstand.

WIT JJ de & FLAMENT AJA :

BOEREN PC :

BATTA ECMA : ALBERTS WJ :

2.

 

 

Waarom was Limburg een lappendeken en Brabant niet ?

De graven van Leuven zagen kans om de belangrijkste edelen bij het vaststellen van een algemeen regionaal beleid aan zich te binden, door hen medezeggenschap doch niet teveel eigen macht te geven ook buiten hun eigen beperkte territorium. Een der Leuvense graven zag mede daardoor kans om zich tot hertog van Brabant te laten benoemen. Vooral hertog Hendrik I van Brabant (1190-1235) bleek een man met verstand én visie. Hij doorgrondde de redenen van de toenemende regionale verbrokkeling om zich heen en begreep dat een sterk en groot hertogdom Brabant alleen door een goede interne samenwerking tot stand kon komen. De grotere steden, zoals Antwerpen, Brussel, Diest, Leuven, Mechelen, Tienen, Turnhout e.a. kregen eigen rechtspraak, het recht van defensieve versterking en medezeggenschap in een gemeenschappelijk handelsbeleid voor het hertogdom. Brabant was wat dit laatste betreft buitengewoon gunstig gelegen tussen het welvarende Vlaande­ren en het rijke Rijngebied met zijn grote achterland. Doordat de hertogen van Brabant de ridderschap en de steden bij hun gecentraliseerde bestuur betrokken, was Brabant reeds vroeg een sterke en efficiënte bestuurlijke eenheid. Mede omdat het grootste gedeelte van de bevolking dezelfde taal sprak, ontstond er in Brabant een gevoel van nationale eenheid, was er een breed politiek draagvlak en beschouwde men de hertog als een vorst, die rekening hield met de belangen van zijn volk. Daardoor werd de rust in het land bevorderd, kon de handel in vele opzichten worden gestimuleerd, kon een sterk leger worden opgebouwd en werd in eigen land weinig vernield ten gevolge van wapengeweld. Meningsverschillen werden op vreedzame wijze opgelost. Door bovendien handig politiek te maneuvreren kreeg Hendrik I al spoedig vaste voet in Maastricht, zowel als in de Landen van Overmaas. Zijn nageslacht ging met succes verder op de door hem ingeslagen weg.

Het huidige Nederlands Limburg bestond omstreeks 1200 voor een groot gedeelte uit heide, bos en moerasgebied. Gemeenschappelijke belangen ontbraken er geheel en ook taalkundig was er geen eenheid, er werd Duits, Frans, Nederlands en vooral Limburgs dialect gesproken. Het uit Neder-Lotharingen overgenomen systeem van leenheerlijkhe­den, waarbij gebieden tegen geld veipacht werden, bleek er funest. De vele “heren” beschouwden de bevolking als lijfeigenen. Bij hun onderlinge ruzies werden vaak de beste bronnen van inkomsten in het gebied van de tegenstander vernield. De Maas werd door menige leenheer vooral gewaardeerd omdat hij er, zonder tegenprestatie, tol kon heffen.

Slechts de hertog van Gelre wist zijn gebied aanvankelijk flink uit te breiden, maar tegen 1300 bleek een verdere expansie in zuidelijke richting verkeken en gingen zelfs verschil­lende kleinere gebieden aan het hertogdom Gulik verloren. De latere grote gebiedsuitbrei­ding van Gelre ten noorden van de grote rivieren leidde geografisch niet tot een aaneen­sluitend geheel, met alle nadelen vandien.

 

 

Het geslacht Hom

Reeds in 938 werd een Paul van Hom(e) in enkele oude archiefstukken genoemd. De Heren van Hom waren o.m. oppeijagermeester van het Duitse keizerrijk (grand-veneur héréditaire de 1’Empire). In officiële stukken noemde hij zichzelf onder andere Heer van Home, Altena, Kortessem, Montigny (Montengys), Perwez, Wessem, Weert en Neder- weert, Cranendonck, Ghoor e.a.

Het kasteel te Hom bestond reeds vóór 1213 en domineerde een groot gebied ten westen van de Maas. Nadat de Maas vanaf Ooi in 1342 was omgelegd en niet meer langs Hom stroomde, verviel de tolheffing voor de Heer van Hom en werd de zetel van Hom naar Weert overgeplaatst.

Vrouwe Aleyde van Hom werd in 1350 abdis van het klooster Keysersbosch bij Neer, dat in 1233 vanuit het vrouwenklooster van Averboden met steun van de Heren van Hom was gesticht. In dit klooster zijn sedert 1264 verscheidene leden van het huis Hom begraven. Twee andere vrouwen uit het geslacht Hom waren vorstin-abdis van het Stift te Thom: Margaretha (1387-1397) en daarna Mechtildis. De laatste werd in 1397 reeds op 17-jarige leeftijd benoemd en heeft 49 jaren geregeerd (1). Amold Heer van Hom was bisschop van Utrecht en daarna prins-bisschop van Luik (1378-1389). Ook Johan Heer van Hom werd prins-bisschop van Luik (1484-1505). In 1450 werd Jacob Heer van Hom, die in Jerusalem tot ridder van het Heilig Graf was geslagen, door de keizer tot erfelijk graaf van Hom benoemd. Hij stierf in 1488 als minderbroeder in het klooster te Weert.

Philips van Montmorency (geb.1518), zoon uit het eerste huwelijk van Anna van Egmond, was een stiefzoon van Jan, de laatste telg uit het geslacht van de graven van Hom (f 1541). Hij was tijdelijk stadhouder van Gelre en admiraal van de Nederlanden; ofschoon hij ridder was van het illustere genootschap van het Gulden Vlies, werd hij in 1568 wegens zijn te sterke betrokkenheid met het opkomende protestantisme te zamen met zijn neef Lamoral graaf van Egmond (geb.1522) te Brussel toch onthoofd.

Van 1240 tot 1568 werden door de Heren/graven van Hom eerst in Wessem en later in Weert munten geslagen. Gouden munten met het wapen van Hom werden ook geslagen door de prins-bisschoppen van Luik, die tot het geslacht Hom behoorden, en omstreeks 1450 door Jan van Hom in de enclave Kessenich-Kinroy (2.p.l91).

Het boek van Goethals is geïllustreerd met tekeningen van grafmonumenten van graven van Hom en afbeeldingen van menige geboren gravin of vrouwe van Hom.

1. GOETHALS FV : “Histoire généalogique des seigneurs de la maison de Hom”, Bruxelles, 183., 400 pp.
2. WOUTERS JM : “Notice historique sur 1’ancien Comté de Homes et sur les anciennes seigneuries de Weert, Wessem et Kessenich”, Gand, 1850, 288 pp.
3. CRASSIER L de : “Comté de Homes, cour féodale et nouvelles seigneuries” in PSHAL, 1929, pp.317/449.
4. KLAVERSMA T : – “De geslachten van Altena en Home tot 1300” in PSHAL, 1978, pp.55-59,

“De Homes, 1296-1345” in PSHAL, 1985, pp.7-68,

“De Heren van Home, Altena, Weert en Kortessem, 1345-1433” in Jb.v. Weert, 1991, pp.25-53 en 1992, pp.122-138.

 

 

  1. Betekenis en voorkomen van de naam HOUBEN

Tot ver in de vorige eeuw was het ftans de officiële voertaal in Limburg. Dat is de reden waarom de als Hoeb uitgesproken voornaam meestal als Houb werd geschreven. In Nederweert waren de pastoors kennelijk weinig fransgeoriënteerd; zij schreven de naam als Hoeben. Ook in België is de naam Houb niet onbekend. In het Duitse grens-gebied komt hij eveneens voor, soms als Hub. De familienaam voor een zoon van Houb werd van Houbzen vereenvoudigd tot Houben.

De volkstelling van 1947 leverde in Limburg 2371 x de naam Houben op en slechts 234 x Hoeben, in Noord-Brabant 160 respectievelijk 209, in Zeeland 0 en 0, in Zuid-Holland 39 en 21, in Noord-Holland 66 en 110, in Utrecht 28 en 3, in Gelderland 55 en 50, in Overijssel 5 en 20, in Drenthe 1 en 0, in Friesland 18 en 37, in Groningen 1 en 1; in totaal 2744 x Houben en 685 x Hoeben. Buiten Limburg is de “ou” vaak vernederlandst tot “oe” of zelfs tot “au”. Slechts een enkele maal vinden wij “van Houben” (zie het op deze volkstelling gebaseerde Nederlandse Repertorium van Familienamen, 15 delen, Assen 1963/Meppel 1977//Zutphen 1988).

Van dezelfde stam zijn afgeleid: Hueben, Hauben, Huiben, Huijben, Huben(s), Hoebens, Hubers, Hoebers (60 x), Houbers (12 x), Hoebert (60 x), Huber(t)s(e), Houba (90 x), Houbaer (25 x), Hoeberichs (50 x), Houbreghs (12 x), Houb(e)recht(s) (55 x) enz. De schrijfwijzen Hoebe(e) en Hube(e) worden vooral in Noord- en Zuid-Holland gevonden (350 x). Hoebeke en Hubeke zijn koosnaampjes, die voornamelijk in Zeeland (100 x) en Vlaanderen als familienaam voorkomen. In het Luikse land vindt men: Houbin, Hubin, Hubien, Houbaer(t) e.d. Hubaert is het Waalse woord voor Huubje, zoals Tónnaert dat is voor Toontje.

Er zijn meerdere Houben-genealogieën bekend. Als regel gaan de gegevens niet verder terug dan ongeveer 1700, omdat er van vóór die tijd weinig kerkelijke boeken met doop, huwelijk en overlijden bekend zijn. Er is zelfs een internationaal adressen-bestand te koop van Houben’s, maar gezien het ontstaan uit de voornaam Houb, mag daarvan weinig of geen informatie over familieverbanden worden verwacht.

Het oudste jaartal dat ik heb kunnen vinden in relatie tot de naam Houben staat in de inventaris van het huisarchief van het Kasteel Helmond onder reg.79. Hierin is een Luijtgaert Houben vermeld onder het jaar 1395.

Het Familiewapen

Van tijd tot tijd duikt het zogenaamde familiewapen op. Omdat sint Hubertus in verband wordt gebracht met een hert dat een kruis tussen het gewei toont, heeft iemand dat beeld als het familiewapen uitgezocht.

De oud-gouvemeur van Limburg, mr.dr. F.J.M.A.H.Houben heeft mij eens een zegelring laten zien, waarin dit wapen gegraveerd was, maar over de origine van het wapen had hij zo zijn twijfels.

Het werd gepubliceerd bij zijn genealogie (Echt, 1955) en wordt sedert kort enigszins gewijzigd en gekleurd door een glaskunstatelier te Breda te koop aangeboden.