oostenrijker Anton Fuchs (75) na vijftig jaar terug in Leveroy



“het was alsof een granaat naast de boerderij insloeg”

LEVEROY – Opgewonden. Dat is het woord. Anton Fuchs wijst het Nederlandse equivalent van aufgeregt aan in zijn roman ’De Deserteur’. De auteur uit het Oostenrijkse Klagenfurt heeft zojuist zijn voormalig onderduikadres in Leveroy bezocht. Daar in de kleine boerderij aan de Dorpstraat bracht soldaat Fuchs in het najaar van 1944 ongeveer een maand door, nadat hij op 26 september in Leveroy was gedeserteerd uit de terugtrekkende Duitse strijdkrachten.
Het spant van de zolder en de geur van stro. Het is nog vrijwel hetzelfde als toen. Zelfs de kier onderaan in een hoek van het dak.

In het najaar van 1944 spiedde de 24-jarige Fuchs talloze keren door dit kijkvenstertje. Meestal in het holst van de nacht. Om te kijken of de kust veilig was. Maar een enkele keer schoof hij, snakkend naar een verfrissende bries, de dakpannen verder uit elkaar en genoot van een ander uitzicht dan de opeengestapelde strobalen. Want behalve aan een bij vlagen verstikkende doodsangst, viel soldaat Fuchs die dagen ten prooi aan verveling.

Gekooid

Om de tijd te doden las hij Schopenhauer. Taaie filosofische kost. Afgezien van wat conditie-oefeningen bestond zijn dagritme voornamelijk uit eten en slapen. Vooral dat laatste ervoer Fuchs als een degelijk wapen tegen zijn besef van tijd. Zijn voorraadje Tuminal-tabletten slonk zienderogen. Hallucinaties en enge dromen. De 75-jarige Anton Fuchs kan er nu glimlachend over praten. Die dagen viel er echter weinig te
lachen voor de gewezen student medicijnen. De Oostenrijker voelde zich als een gekooid vogeltje. De kans dat hij zou worden opgepakt, was levensgroot.

Vanuit zijn onderduikadres boven in de schuur van Bér Gijsen, in het dorp beter bekend als Miepke’s Bér, hoorde hij diverse keren de granaten inslaan, afgevuurd door de geallieerden die vanuit het zuiden en westen langzaam verder oprukten. Hoewel Weert al op 22 september 1944 was bevrijd, bevonden zich ter hoogte van Leveroy Duitse eenheden ten oosten van het kanaal Wessem-Nederweert.
Het zou nog tot medio november duren voordat dit ongeveer achthonderd zielen tellend dorp zonder slag of stoot werd bevrijd.

Verzetsheld

Fuchs herinnert zich de beschietingen door de artillerie die daar aan vooraf gingen. „Herhaaldelijk klonk het fluitend geluid van granaten. Soms was het alsof een granaat pal naast de boerderij insloeg, maar dat moet zeker vijfhonderd meter verder zijn geweest. In zo’n situatie zat ik met gespitste oren te luisteren.”

Tijdens zijn onderduikperiode in Leveroy kreeg Fuchs herhaaldelijk bezoek van de verzetsman Henk Geerdink. Die had tientallen geallieerde piloten begeleid bij hun tochten van onderduikadressen uit het Land van Weert naar de Belgische grens.

In de autobiografische roman ’De Deserteur’, die Fuchs van 1947 tot 1950 schreef, ontmoet hoofdpersoon korporaal Erich Kauff deze verzetsheld: 4 oktober. Zojuist is Henk bij me geweest. We zaten op de stoffige balk te roken en hij vertelde uit zijn partisanenleven. Vanuit hun vliegtuig gesprongen Amerikaanse piloten die ze hebben geholpen om de lange weg over de Pyreneeën af te leggen; van Gestapolui die geprobeerd hebben om zich in hun organisatie te dringen; van sabotage, opgeblazen spoorlijnen, rubberboten en van een fles gin die ze met een bezwaard hart moesten kapotslaan, opdat niemand van hen zich kon bedrinken en onheil aanrichten.

Geleidelijk

Op 28 oktober besluit Fuchs te vluchten waarna hij te voet en liftend door Duitsland uiteindelijk er in slaagt

Oostenrijk te bereiken. Daar zal hij zich bij een bevriend geestelijke op het platteland schuil houden tot de bevrijding.

De roodharige pater Tjeu Baetsen, een actief verzetsman, doet Fuchs van te voren uitgeleide naar Roggel. Van daaruit gaat hij bij Roermond de grens over. Hamvraag die zich opdringt bij het lezen van ’De Deserteur’ is waarom Fuchs pas eind 1944 deserteerde. De oorlog was toen per slot van rekening al bijna afgelopen en Fuchs had al sinds de Duitse inval in Polen in september 1939 meegevochten. Hij beweert dat dit proces aanvankelijk geleidelijk verliep.

Bij de intocht van Hitler in Wenen in maart 1938 behoorde hij nog tot de uitzinnige toeschouwers die geestdriftig Heil scandeerden.

„Ik was geïmponeerd door de vlaggenparade en het militair machtsvertoon. Maar in tegenstelling tot mijn vader, een katholiek beambte, was ik zeker niet anti-semitisch. Toen er kort na de Anschluss van Oostenrijk twee joodse vrienden uit mijn klas werden gehaald, was ik bitter teleurgesteld. De inval in Rusland in 1941 vond ik ook absurd, omdat Duitsland twee jaar daarvoor een niet aanvalsverdrag had ondertekend. De echte kentering kwam echter in 1942. Op 25 september raakte ik gewond bij Stalingrad. Vier granaatsplinters in mijn buik en eentje in m’n arm. Het was de tweede keer dat ik gewond raakte. Toen heb ik de beslissing genomen om zo vlug mogelijk over te lopen. Zelfs al zou Duitsland de oorlog winnen, dan zou ik Europa verlaten. Ironisch genoeg heb ik aan Stalingrad ook mijn leven te danken, want vrijwel ons hele regiment is daar later gesneuveld. Omdat ik terug naar Wenen mocht om te herstellen, heb ik daar twee jaar lang medicijnen kunnen studeren. Begin september ’44 moest onze studentencompagnie echter weer naar het front. Aanvankelijk wilde ik al in België deserteren, maar door dass Schicksal is het me pas in Leveroy gelukt.”

In het gemeenschapshuis in Leveroy houdt Anton Fuchs vanavond om 20 uur een lezing over zijn oorlogsbelevenissen. Reserveren is moge-lijk via Pieter Knippenberg, tel. 04954-1811 of van 13.30 tot 17 uur via Peter Crins in gemeenschapshuis Levero-na, tel.04954-1565.

 

 

Tags: