„ Waar moet ik ook weer heen?”

Categories :

Bron: Delpher 

Na drie jaar: tranen, zoenen, vlaggen en eindeloze feesten

„ Waar moet ik ook weer heen?”

Voor het uitgebreide, zeer vlot functionerende ontvangst-apparaat was het zo langzamerhand routine geworden; zelfs het zeer grote aantal troepen van de „Sibajak” (1728 in totaal) leverde geen extra moeilijkheden. Zoals gewoonlijk had men uit Batavia het z.g. „manifest”, bevattende alle namen en adressen, per luchtpost toegezonden gekregen, hiervan was een alphabetische passagierslijst gemaakt, waarna deze lijst gesplitst was naar provincie, district en woonplaats. Iedere woonplaats was op een zeer gedetailleerde stafkaart onderstreept, eventueel voorzien van een cijfer; hierna had men een aantal plaatsen afgebakend tot een district, en voor dit’ district voorzover mogelijk een plaatselijke autobus gehuurd.

Nauwelijks is een boot de pieren van IJmuiden binnen of bevindt zich op de Nieuwe Waterweg, of leden , van de debarkatiedienst gaan aan ‘ boord, delen letterlabels uit (zichtbaar te dragen), welke corresponderen met een bepaald vak op de stafkaart én een dito in de ontschepingsloods. Ook alle bagage krijgt een corresponderende label.

Wanneer de boot dan gemeerd ligt i heeft elke buschauffeur reeds precies zijn rijroute en alle adressen. ( Nadat de autoriteiten aan boord geweest waren, kwamen de repatriërenden de gangway af, kregen meteen distributiebescheiden, een vrij vervoerbewijs voor een maand spoor, ontvingen geld voor een costuum en demobilisatiebonus, kregen sprits en een lunchpakket, cigaretten, een bakje vruchten, en bereikten dan tenslotte kauwend, met enveloppen en bekers koffie jonglerend de laatste sluis.

„Hoe heet U” — „Waar moet U naar toe?”

„Eh ja”, antwoordde een knaap met volle mond zenuwachtig. „Ja, waar moet Ik ook weer naar toe ” en hield in zijn nervositeit een hele rij ongeduldigen op. De jongen die vóór alle anderen het snelst werd weggeholpen, maakte niemand jaloers. De boordluidspreker had metalig onaandoenlijk aangekondigd, dat er een boodschap voor hem was. Die morgen had zijn moeder een maagbloeding gekregen.

„Kam je haren, sloddervos”

De ,,barang”, de kisten, plunjezakken en dozen wachtten binnen de touwafzetting. De douane nam steekproeven, was zeer inschikkelijk. Voor zover ik kon constateren hoefde van onze groep niemand invoerrechten te betalen. Er werden nog wat handen geschud en vriendschappelijke afscheidsstompen uitgedeeld, men wenste elkaar de „gloeiende mazzel” en toen las de scheepsroeper de namen voor.

„’t Was weer danig naadje pet”, kankerde een vent tegen ieder die ’t maar horen wilde. Hij had buiten een soort veewagen zien staan en vond ’t schandalig, dat ze daarmee thuisgebracht werden. Degenen, die het verst weg woonden mochten het eerst de bus in; veewagens waren er uiteraard niet. De service was integendeel zó groot, dat een witkiel zelfs alle bagage de bus inbracht en een pet vol sigaretten als fooi kreeg. Toen zei iemand tegen de chauffeur: „Trap ’m nou maar op z’n staart” en een Marinedokter, die een paar banken van me vandaan zat, zei wel drie keer: „Ziezo, daar zitten we weer” en toen voor de variatie: „Hè hè, daar zitten we…

Er waren vijfentachtig grote bussen, om half elf draaide die voor het vak Sittard-Maastricht-Hoensbroek de poort uit. De instap-luidruchtigheid op de weg, werd andermaal gewekt door de mensen, die op straat staan bleven en wuifden, maakte toen plaats voor een meer zwijgzame opgewondenheid, een jongenskostschool ging na een lang trimester met vacantié. Het was een vreemde tocht: de meesten bekeken hun eigen land, vertrouwd en toch geheel nieuw, ontdekten het als het ware weer, vergisten zich- in de …plaatsnaam-volgorde,, en zeiden; , …. „Dat zijn hou die eh, eh…. die noodwoningen, ja”, vroegen of je voor ƒ 170 vier pakken kon laten maken („Nou já, dan maar twèè maatpakken”), piekerden hardop over wat Nederland nu eigenlijk van’ hèn dacht, nu met die overbevolking, zaten aanvankelijk te ijzen, wanneer de bus rechts .uitweek en zwegen veel: ,Wét een winkels ”… zei er een, een ander: ,,Moet je zien wat een kleur de kinderen hier hebben”. Een derde zwaaide terug haar een wuivende agent, en riep: „Ja, nou wuiven en de volgende week een bonnetje, hè?” Nauwelijks waren we de Moerdijk over of achter uit de bus riep Rinus (de getapte jongen); „Kam je de haren, nutterd, over een: paar uur varen zijn we thuis!” en toen er in Breda een juffrouw zwaaide: „Wat een land, wat een land.. Jong, daar rijdt een baboe voorbij op de fiets, in een bontmantel en nóg zwaait  ze naar me:.,.”

Hortende verhalen

Naast me zat een stille jongen uit Medan (ruim drie jaar), daarnaast een „Padanger”, en voor me zat „West Java”. Niemand vertelde iets om „in de krant te komen”. Of ze bovendien  een objectief juist beeld van de situatie gaven, was zeer de vraag, maar thuis zouden er stellig verhalen loskomen over kleine opstootjes in Batavia, waarbij onze troepen met stenen bekogeld werden, over de Darul Islam, die zo fanatiek vocht, over de bevolking die altijd op de hand van de sterkste was, over de TNI, die beklaagd werd omdat ze de DI moest opruimen, over troepen, die op het laatst nog slechts een uitdrukkende sterkte van 30 pct. hadden, over jongens die zoveel patrouille hadden gelopen, dat ze na een paar kilometer gewoon door de enkels zakten, met ’n paar weken rust weer opgefikst werden, weer mee moesten en weer door de enkels gingen, over een zekere Prins of Prinsen, die gedeserteerd was en nu bendehoofd was geworden en West Java onveilig maakte en ’n té grote schoft was om de kogel te krijgen, over de soevereiniteitsoverdracht, die hen naar ze beweerden maar matig interesseerde, over de precaire positie van veel ondernemingen, over de betrekkelijke veiligheid in de stad, over het openleggen van een convooiweg (over 10 kilometer deden we drie dagen”) over de hele goeie ontvangst in Rotterdam, die erg was „meegevallen” en over honderden andere dingen. Niemand had geluisterd naar de souvereiniteltsoverdracht („de radio-ontvangst aan boord was zó slecht, volgens de COT, dat we de radio maar af gezet hebben”), maar het meeste commentaar ontlokte nog de aflossing van de paleiswacht in Batavia. De Nederlandse troepen, die daar voor erecompagnie hadden moeten fungeren, en daarna de zaak aan de TNI hadden moeten overdragen, hadden de „ergste pokkenbaan” van al die drie jaar gehad.

Dat waren zo de verhalen, welke zonder al te veel enthousiasme gedaan werden, de verhalen, die de familie zouden rondgaan en daarna het dorp; er waren weinig „progressieve” gezichtspunten aan te ontleden. Verder zeiden ze Limburgs onverschillig: ,,Ze kunnen ons de rug op! (Mij niet meer gezien!”) voor ons zit ’t erop en we hebben ’t ons daar die drie jaar niet  laten verdrieten! Een streep eronder!” ‘ Slechts veel later op de middag, toén : het over Limburg reeds schemerde, : peinsde een van hen zonder enige aanleiding plotseling hardop: „Als je mij naar de resultaten vraagt…. die drie jaar hebben geen…. uitgehaald. Ze hadden ons net zo goed niet kunnen sturen, maar ik heb er ’n hoop gezien en geleerd. Voor de jongens, die nooit meer terug komen….” hij maakte zijn zin niet af.

„Sarina…

Onze bus was vrij koud en met algemene stemmen werd mede ten gerieve van een eenzame Marva-officier een klein cafétje in Oosterhout aangedaan. Een stampede, en de matroos met één been in het gips hipte als laatste de bus uit, maar stond als eerste naast drie vriendelijke cafèdochters achter de tapkast. Een pick-up jengelde „Sarina” (nooit had ik Sarina zo hard gehoord), er werd danig op de thuiskomst geklonken en terwijl het lawaai steeds toenam . bleken de „kaaje peut” (kouwe voeten) veel hardnekkiger, dan aanvankelijk was vermoed. Een ouwe „Opa” van het KNIL, die na zestien jaar ook weer eens in Nuth ging kijken stond breed te grijnzen naast de matroos en als de chauffeur niet getoeterd had, was het compleet kermis geworden. Dit moge nu alle buitenstaanders en vooral de ouders lichtelijk bevreemden, doch voor sommigen, die drie jaar lang een eeuwigheid hadden gevonden, leken die paar uur rijden plotseling véél te kort.

De bus werd stiller en zenuwachtiger. Naarmate we Limburg naderden en Rinus, waarschuwde nerveus, dat we allemaal. „de moel” moesten houden, want we waren nog maar anderhalf uur „varen” van zijn huis. De jongen naast me zei Ineens: „ik wou, dat ’t voorbij was.,,, ’t is net een actie ”

In Leveroy stopte de bus voor een soort landweg, en aan het einde van die – landweg stond een kléin buisje; en er – hing een vlag uit, die bijna nog groter  was dan het hele huis en verder was er een erepoort van dennengroen. De marinier struikelde de bus uit, riep nog „’t beste allemaal!”, hólde naar de achterzijde van de bus om z’n bagage op te halen en toen vlóóg er een deur open en renden een zusje van die marinier en kennelijk diens broer naar buiten. Toen, met de plunjezak over de schouder, stapte ie met grote stappen ’t landwegje op, terwijl broer en zus hem allebei vasthielden aan de overjas. Het was half drie in de middag; z’n moeder kwam naar bulten en toen ook z’n vader en de jongen liet zijn plunjezak vallen vlak voor de lage groene deur

Dag kris, dag kras

In Baexem stond een halve school kleine kindertjes, allemaal met een vlagje, een artillerist op te wachten en Rinus stormde aan ’t hoofd van alle inzittenden met de gelukkige de bus uit en riep de familie, die veel verderop stond, toe: „Uitzoeke maaaar!!”, waarop een verstandiger „Jan” opmerkte, dat ze zich koest moesten houden en beter in de bus konden blijven zitten, anders zou de familie er nog de verkeerde uitpikken. Er wordt op het platteland minder gezoend dan in de stad, en toen de bus (allemaal zenuwen), bij elk weerzien ook haar commentaar gaf („Geuf mich ook mèr ’n peunke, Merieke”) begonnen enkele thuiskomers steeds meer tegen deze begroeting op te zien; een liet zich tenminste niet eens tot voor het ouderlijk huis brengen, maar verzocht op de rijksweg te worden afgezet, waar ze hem wel zouden komen halen.

Het werd later op de middag en tot overmaat van ramp moest er andermaal gepleisterd Worden en ditmaal dreigde ’t Compleet een gekkenhuis te worden, en die ouwe KNIL „Öpa” glunderde weer achter „zijn” tapkassie en de pickup speelde knetterhard van „Dag Kris, dag Kras”’en iedereen kocht sigaren van veertig cent en wilde mij opnieuw betrekken in de hartelijkheid.

Bovendien veroorzaakte dit bezoek natuurnoodzakelijk nóg wat haltes verderop en toen we eindelijk Nieuwstadt i bereikten schemerde het al. Voorin de bus zat nog een marinier Hij zei geen woord, keek alsmaar naar , buiten, likte telkens opnieuw langs zijn lippen, kneep zich dan zenuwachtig de handen dicht. „Nou, ik wou dat ‘t achter de rug was….’ zei de artillerist naast me weer. Ergens vóór Sittard, waar de bus weer temidden van een volksoploop voor een versierd. „Welkom thuis” huis stopte, was een jongen zo zenuwachtig, dat ie, op zoek naar z’n moeder deze volkomen voorbij liep, haar hoorde roepen, zich omkeerde en haar bijna ondersteboven rende. Het huis met de vlag Ergens verderop hadden ze ’t huis helemaal geïllumineerd met rode en witte en blauwe lichtjes en het buurtcomité was voor de gelegenheid kennelijk in haar streepjesbroek geschoten. En toen kwam eindelijk Rinus en eerst dacht de bus dat Rinus z’n huis in brand stond, maar dat was de feestilluminatie en in de bus ging een gejoel op en toen stapte Rinus uit en knuffelde z’n vrouw, dat de stukken eraf vlogen. Vijf kilometer verder ontdekten we in de bus Rinus z’n overjas en Rinus z’n baret en Rinus z’n demobilisatiepapieren, die ie allemaal vergeten was. We gaan nou zachtjes op Maastricht aan” zei de goedsmoedige chauffeur (die ook een pet vol sigaretten als fooi had gekregen) maar ergens vóór Hoensbroek ontstond er een ontzaggelijke keet hoe ze nou moesten rijden. Hoe moet het nou?” vroeg de chauffeur en drie, vier „gidsen” wisten het en als ze allemaal hun zin hadden gekregen zou iedereen verder op één buswiel zijn thuisgebracht en iemand, die toch voorlopig nog niet aan de beurt was, zei: Rij maar ’n eind weg!” en een ander brulde „Troes troes” wat Maleis was voor „Rechtdoor” en toen kreeg de ene gids ruzie met de andere en de chauffeur liet de heldere schijnwerper van zijn Salomonsoordeel over het geschil schijnen er. zei: ,Maar as we nou langs hem z’n huis komen”, waarop de ene gids zei: Dan moet je linksaf” en de andere vloekte: „Wat zit je’ verd. toch te kletsen! weet jij waar ik woon of weet ik ’t?” en ’t waren allemaal niks as pure zenuwen.

„Toch”, zei een bezadigde sergeant majoor, „toch zullen ze in vele huizen nog raar opkijken, want toen ze weggingen waren het eigenlijk nog maar kinderen. En terwijl we: daar door al die goede 5 dorpen reden, en in elk dorp wel een wijk, die vlagde en soms liep hele dorp een feestversiering, en terwijl de bus telkens stopte voor de barokke opluistering van een „Welkom Thuis’’-gevel. (De andere middag zou de voorzitter van de buurtcommissie dan nog zenuwachtig een taart komen aanbieden), moest ik ineens wéér denken aan een verbaal dat ik die – ochtend had gehoord; Drie telegrammen naar boord deze reis en het laatste op de dag voor de ontscheping de simpele mededeling „Zus wordt morgen begraven.

.. En in een ander dorp wees, een jongen, zijn spullen al in de hand, me nog gauw op een huis. Het huis stond in „zijn” straat, en zoals alle huizen in die straat hing er de vlag uit, „Daar woonde een vriend van me, samen met mij vertrokken….” zei ie nog haastig. „Ik moet ér vanavond nog naar toe…” Toen de bus stopte kwam de hele buurt naar buiten om te wuiven En omkijkend zag ik dat ene huis en hoe ook daar de deur openging. Er kwam een. vrouw naar buiten, zij wuifde éven, en moest zich toen omdraaien. Ze had de vlag uitgestoken en vierde samen met de hele buurt de thuiskomst van een vriend van haar zoon. Maar boven haar deur zou nooit eén „Welkom thuis” hoeven te prijken.