oorlogsverhalen
Neergestorte vliegtuig in Leveroy
In de buurt van de molen “De Volharding” is op-30 mei 1942 een Engels Wellington vliegtuig neergestort. De piloot, sgt. Caswell, was de enige overlevende van de vijf bemanningsleden. Hij was met zijn parachute vlak bij het toestel neergekomen en was gevlucht. Hij had brandwonden opgelopen aan zijn gezicht en handen. Na behandeling door dokter de Maat bij Fijten in Roggel is hij uiteindelijk toch door de Duitsers opgepakt. De onontplofte bommen lagen over verspreid in de omgeving De Leveroyse jongemannen haalden daar als souvenir van alles uit. Zo ook de gebroeders Geraeds Zij hadden er onder andere een schuttersstoel uit gedemonteerd. Deze heeft jaren op zolder gelegen en nadien in het Leudal-museum in Haelen een goede bestemming, gekregen. Daar is hij te bezichtigen.
Het Leveroyse ondergronds verzet kwam in ernstige problemen.
Nadat de geallieerden in de herfst van 1944 Leveroy naderden, werd ook daar door overmoedige jongelui een knokploeg opgericht. Naast enkele Leveroyse jongemannen maakten ook enkele onderduikers daar deel van uit, onder andere de 18 jarige David de Haan uit Breda als boerenknecht ondergedoken bij Lei Ketelaers de 23 jarige Jan Houkes uit Rotterdam bij Piet van Heur en Jan Poos uit Nijmegen bij Zjang Geraeds
In het zicht van de naderende bevrijders besloot de knokploeg om in de Beemderhoek 2 naast de weg gezeten Duitse soldaten gevangen te nemen. Beide bovenvermelde onderduikers met nog 2 andere verzetsmensen uit Leveroy voerden de opdracht uit. De Duitse bewapening en de uniformen werden in beslag genomen en verkleed in een boerenoveral werden de gevangenen afgevoerd naar een hol achter de boerderij van de familie Geraeds en daar verstopt. De gevangenen werden dag en nacht met 2 gewapende personen bewaakt. Aangezien de Duitsers een tegenaanval plaatsten en de geallieerden dus langer wegbleven dan gepland, kwam de knokploeg met hun 2 gevangenen behoorlijk in hun maag te zitten. Met steeds meer Duitsers in de buurt liepen de spanningen bij Geraeds hoog op en werden de gevangenen naar de molen “De Volharding” aan de Heerbaan gebracht. Toen het ook daar te gevaarlijk werd, werden ze bij Sjeng Ramaekers in de kelder van het spoorweghuisje van Baexem ondergebracht. Ook daar liep de spanning op, temeer toen op 8 oktober de alom bekende razzia’s (met huiszoekingen) werden gehouden. Op klaarlichte dag moest hals over kop worden verkast en ging men naar een schuur waar tussen strobalen een hok was gemaakt. Men hoorde de Duitsers vlak naast de schuur lopen. Met een revolver op hun slaap werden de gevangenen gedwongen geen kik te geven. De situatie was onhoudbaar geworden en er moest snel een oplossing komen. Beide gevangenen werden toen door een collega-knokploeg overgenomen en met onbekende bestemming afgevoerd. Inmiddels waren beide Duitse soldaten bij hun eenheid als vermist opgegeven. De plaatselijke commandant ging ervan uit dat beiden door partizanen gevangen waren genomen en bezon zich op represailles tegen de Leveroyse bevolking. Mede door toedoen van Henk Geerdink is het gelukkig niet zover gekomen. Van de beide Duitse gevangenen (Christoph Ahlers en Hermann Langkamp) zijn achteraf de graven gevonden aan het Vlakwater. Volgens de officiële lezing zouden zij tijdens een gevecht met parachutisten zijn omgekomen en begraven. Beiden zijn later herbegraven op het Duits Militair Kerkhof Ysselsteyn.
Bevolking niet altijd blij met acties ondergronds verzet.
Mina van Caris Pier (Schreurs) geb.192I vertelt.
Op 10 mei 1940 toen de oorlog uitbrak kwam een Nederlandse soldaat op een fiets bij ons om burgerkleding vragen, omdat een paar Duitsers hem bij van de Broek in Houtsberg hadden ontwapend en bevolen om zich bij hun eenheid te melden, op de Kreppel in Heythuysen. De Leveroyse bevolking werd vaak in gevaar gebracht door het verzet. Enkele voorbeelden. De Duitsers, die bij Koppen (later Houtse Hendrik) hun veldkeuken hadden, kwamen bij de weduwe Vossen op “de Tocht” (hoek Swelstraat-Dorpstraat) het paard vorderen om de keukenwagen naar de manschappen in het veld en langs het kanaal Wessem-Nederweert te vervoeren. Zij beloofden de wed. Vossen dat ze het paard, indien nodig voor het halen van voer e.d., kon ophalen. Op een dag had het verzet het paard bij de Duitsers weggehaald en verstopt, met het gevolg dat de Duitsers bij de weduwe Vossen verhaal kwamen halen en eisten dat zij voor een paard moest zorgen zo niet dan zou ze de kogel krijgen. Omdat er in de buurt geen paarden meer waren, ging zij in wanhoop naar Seerden Drees (Kirkels) op de Klompenstraat. Deze gaf gelukkig zijn paard mee. Maar ook dat werd door het verzet bij de Duitsers ontvreemd. Daarop ging een Duitse soldaat naar Drees om een paard. Er ontstond een handgemeen, waarop de soldaat versterking ging halen. Drees wachtte dit niet af en vluchtte. Op die dag waren de gebroeders Schreurs hun verstopte paard bij Soentjens Frits gaan voeren. Zij hoorden het geschreeuw van de Duitsers die bij de naastgelegen boerderijen naar Drees zochten en verstopten zich in het stro. Enkele minuten later kwamen de Duitsers bij Soentjens binnen. Terwijl de soldaten de bewoners tegen de muur zetten en de boerderij doorzochten (er werd zelfs met bajonetten in het stro gestoken), maar Drees en ook de jongens Schreurs vonden ze niet. Ondertussen maakten de ouders Schreurs zich zorgen omdat hun zoons nog niet terug waren en ze geschreeuw en schoten hadden gehoord. Toen vader Schreurs en zijn andere zoon polshoogte gingen nemen, moesten ze zich onderweg voor de woedende Duitsers in een sloot verstoppen. Al met al is het nog goed afgelopen en hebben de mensen van het verzet geen paarden meer bij de Duitsers weggehaald. Ook toen het Leveroyse verzet in de Beemderhoek 2 Duitse soldaten had overmeesterd en afgevoerd, ontstond er paniek. De aangekondigde represailles op de burgerbevolking konden ternauwernood worden voorkomen. Tijdens de razzia’s op 8 oktober waren de 3 zonen Schreurs niet thuis. De oudste 2 waren gewaarschuwd door een kerkganger en waren gevlucht. De jongste (Klaos) was bij de buren en werd daar verrast en opgepakt. Hij was zo geschrokken dat hij spierwit werd en zei dat hij erg ziek was. De Duitser nam Klaos mee naar huize Schreurs waarop zijn moeder begon te huilen en te jammeren. Als haar enige zwaar zieke zoon zou worden meegenomen en zijn dagelijkse medicijnen niet zou krijgen, zou dat zijn dood betekenen en zou ze niemand meer hebben voor het werk op de boerderij. Daarop overlegde de soldaat met zijn collega’s buiten. Er werd besloten dat Klaos niet zou worden meegenomen. Wel moest hij beloven dat hij niet zou onderduiken. Rond oktober kwamen er bijna elke dag twee Duitse soldaten (Franz en Fritz) bij Schreurs over de vloer. Zij lagen in stellingen in de buurt van het kanaal Wessem-Nederweert. Beiden brachten vaker een paar kippen en eieren mee en kookten die met aardappelen en kool bij Schreurs op het fornuis. Daarna fietsten ze met hun etenspotje naar hun kameraden. Franz had op een dag een brief van zijn vriendin gekregen. Die vroeg daarin hoe het zoal met hem ging en dat zij hoopte dat de oorlog maar snel afgelopen mocht zijn zodat zij elkander weer in de armen konden sluiten. Franz schreef daarop meteen terug dat alles goed met hem was en hoopte ook dat hij haar spoedig weer zou zien. Een dag later kwam Fritz alleen bij Schreurs. Op de vraag van mevrouw Schreurs waar Franz was, antwoordde Fritz: “er ist tot”. Het horloge van zijn kameraad droeg hij aan zijn pols. Voordat zijn vriendin bovenbedoelde brief van het front had ontvangen, was haar Franz reeds gesneuveld. Dat was oorlog. Op het parochiekerkhof lagen oorspronkelijk ook 42 graven van Duitse soldaten, die later naar het Duits Militair Kerkhof in Ysselsteyn zijn overgebracht.
De herinneringen van onder andere de gezusters Raetsen.
Op de Mildert, niet ver van de spoorbrug op het eind van een zijweg in een laagte, woonde wup en Neel Raetsen met hun 8 kinderen (waaronder een tweeling, de zusjes Toos en Mia) samen op een boerderij. Eind 1944 waren beide meisjes 13 jaar ouden hun zusje Rieka 8 jaar. Bijna 63 jaar later vertellen zij hun verhaal. Eind 1944 bracht het verzet 6 piloten bij Raetsen om te verbergen en af te wachten tot het veilig was om ze over het kanaal Wessem-Nederweert te brengen. De piloten werden in burgerkleding gestoken. Van de Engelse bodywarmers maakte moeder slofjes voor de kinderen om in de klompen te dragen. De resterende militaire kleding werd verbrand om sporen te wissen. Toen het veilig was, bracht vader Wup de piloten over het kanaal. Niet lang daarna kwamen de Duitsers een huiszoeking doen. Gelukkig waren de kinderen met de slofjes naar school en werd er niets verdachts gevonden. Toen op 20 september 1944 de spoorbrug op de Mildert werd opgeblazen, moest de familie Raetsen op bevel van de Duitsers hun huis verlaten. Zij hadden hun boerderij nauwelijks verlaten toen ze zagen dat de Duitsers hun kippen roofden en ook vee meenamen. Ze vonden voorlopig onderdak bij de familie van de Broek op de Houtsberg. Van daaruit gingen ze naar Geraeds op de Kolenhof. Op die boerderij en bij de buren Crins ook bij Siemkes (in de molen “St Victor”) zat bijna de gehele bevolking van de Mildert. Doordat zij hier ook nog te dicht bij het front aan het kanaal lagen en het ook hier te gevaarlijk werd, gingen zij, dekking-zoekend voor het granaatvuur, door greppels en sloten naar Wetemans aan de kerk waar het hun veiliger leek. Uiteindelijk kwamen ze schuin tegenover de kerk terecht op Schreurshof (Bèr Reijnders) waar een eerstehulppost van de Duitsers was gevestigd. Tijdens hun verblijf daar ging vader Wup (Raetsen) en Lei Hermans dagelijks met paard en kar naar het veld om voor de hele buurt groenvoer te halen; hetgeen niet zonder gevaar was. Bij de buren van Bert Houben was de officierspost van de Duitsers gevestigd. Bert Houben en Lei Hermans (pas 14 jaar oud) moesten, op bevel van de Duitsers, ’s nachts met paard en kar gesneuvelde en gewonde soldaten van het front bij Wellenstein ophalen. De doden werden op het kerkhof in Leveroy begraven. Na de oorlog lagen daar 42 Duitse soldaten die later werden herbegraven op het Duits Militair Kerkhof in Ysselsteyn. Enkele honderden meters uit het dorp richting Heythuysen, aan de linkerkant van de weg, stond een barak van het Duitse luchtafweergeschut. Met grote schijnwerpers schenen ze naar de overkomende vliegtuigen en ook wel eens over het veld en de weg. In de nacht van 14 op 15 november hoorden we een vreselijk gerommel. De Duitsers hadden de Leveroyse kerk in de lucht laten springen alsook het riante huis van “Tocht Sjang” (Hermans). Vele woningen rond de kerk hadden lichte tot zware schade opgelopen. De gehele weg was door het puin versperd. In de loop van de morgen kwamen de Engelsen en waren we bevrijd. Zij maakten de weg weer vrij en trokken in de loop van de namiddag verder richting Heythuysen waarbij ze op Maxet nog op weerstand stootten. Wij keerden terug naar huis. Onderweg was het een en al rommel. Wij zagen een paard liggen dat bewoog. Er bleken zich honden in het karkas tegoed te doen aan het vlees van het kadaver. Ook was het een grote rommel in en om onze boerderij. Er lag een stalen plaat, van de opgeblazen spoorbrug afkomstig, die door de explosie was gelanceerd. Deze plaat heeft nog jaren dienst gedaan als deksel op onze gierkelder. De Duitsers hadden alle deuren en planken uit huis gehaald om stellingen te maken. We waren zo gewend geraakt aan de beschietingen, dat bij onze boerderij de doodse stilte opviel. We hoorden alleen de vogels fluiten.
Bevrijding van Leveroy (15 november 1944)
Om 08.30 uur rukte het 1st Battalion Black Watch vanuit Nederweert op, ondersteund door tanks van het 1st Northamptonshire Yeomanry. De infanteristen werden vervoerd op gepantserde Kangaroos van het 49th RTR.
Door de brugproblemen konden de tanks pas later aansluiten. Rond 09.00 uur passeerde het bataljon de Baileybrug bij Nederweert-Eind. Een verkenningspatrouille werd uitgezonden richting Kelpen om contact te maken met eenheden van de 53rd Welsh Division.
De hoofdmacht, bestaande uit zestien Shermans, drie Flail-tanks (voor mijnenruiming) en tientallen Kangaroos, trok vervolgens richting Leveroy. Corporal Clague, met zijn lichte Stuart-tank, reed voorop. Boerderijen langs de route werden beschoten uit voorzorg.
De Duitse troepen, voornamelijk van het Fallschirmjäger-Bataillon Pilz, hadden zich inmiddels teruggetrokken op Heythuysen.
De Leveroyer Heide werd zonder weerstand ingenomen. Op hoeve Sint Helena werden zes ondergedoken geallieerde piloten bevrijd, die de volgende dag naar Engeland werden overgebracht.
Om 10.45 uur bereikte Clague met zijn tank de dorpskern. Twee Duitse waarnemers, verbonden met Oberleutnant Bolle in Heythuysen, werden ontdekt en uitgeschakeld. Rond 11.00 uur trok het volledige 1st Battalion Black Watch Leveroy binnen.
Tanks, pantserwagens en vrachtwagens werden opgesteld in het veld tussen de vernielde kerk en de graanmolen.
’s Middags overlegden de Britse commandanten over de volgende aanval op Heythuysen en Roggel. Kort daarna kwam Leveroy onder hevig Duits artillerievuur. In de avond troffen granaten de dorpsschool, waar soldaten van de A Company, 1/7 Middlesex Regiment verbleven. Hierbij vielen tien Britse doden.