Enkele bijdragen tot het geslacht van Leyverloe Alias van Asselt

ENKELE BIJDRAGEN TOT HET GESLACHT VAN LEYVERLOE ALIAS VAN ASSELT

DOOR: JOHAN SLABBERS

Johannes, Plebaan van Thorn, maande in 1331 Elisabeth van Leyverloe, weduwe van Johannes van Leverloie1 , op aanzegging van Rudolfus, klerk van de aartsdiaken van Luik en investitus van Egelhegheim, om de twee jaren achterstallige erfpacht inwendig zeven dagen aan Margaretha van Petersheim, abdisse van Thorn te betalen.

De erfpacht was ieder jaar 6 malder en 2 sextarii rogge, maat van Wessem, waartoe zij wegens de molen2 van Leyverloie verplicht was. Indien zij in gebreke zou blijven, zou zij met haar zonen Johannes, Ricolaus, Reynoldus en Theodoricus, geëxcommuniceerd worden.

Op 20 maart 13313 bericht Johannes, Plebaan van Thorn, een en ander aan Reynaldus de Pillis Ursi, aartsdiaken van Luik.
Deze beveelt op 28 maart 13514 Johannes dat de ban uitgesproken moet worden. Elisabeth en haar zonen blijven echter nog steeds weigerachtig en zo doet Reynaldus de Pillis Ursi op 2 januari 13325 kont aan Johannes, Plebaan der kerk van Thorn en aan de priesters te Wyssem, te Itteren, te Kessenich, te Bachhoven, te Eeppenarde, te Uteren, te Eycke en aan al de overige geestelijken van het aartsdiakonaat, dat Elisabeth en haar zonen onwrikbaar weigeren hun erfpacht te betalen, en spreekt de kerkelijke ban tegen hen uit en beveelt de voormelde geestelijken hiertoe hun hulp te verlenen.

Daar Elisabeth nog steeds weigerde werd de ban op 8 juni 13326 nog­maals verscherpt door hen niet alleen buiten de kerk te houden maar zelfs alle gemeenschap met de weerspannigen was voor iedereen verboden, op straffe zelf ook in de ban te worden gedaan:

Men mocht niet meer laten malen, niets van hen kopen op pachten, geen vee in hun weiden scharen, geen kleren of schoeisel voor hen maken, hen geen water of vuur geven en hen zelfs niet groeten. Aangezien we geen verdere berichten hierover vinden na 1332, mogen we aannemen dat de erfpacht uiteindelijk toch betaald werd.

Maar wie was eigenlijk deze familie van Leyverloe ? Vaar kwamen zij vandaan en waar zijn ze gebleven ?

We zien dat Elisabeth de weduwe was van Johannes van Leverloie. Deze in een archiefstuk van 20 januari 12937 Het gaat hierin namelijk om de verdeling van de ouderlijke goederen tussen Johannes dictus de Leverloe en zijn zusters Erkenradis en Margaretha. Ook wordt in de oorkonde een overleden “broer Rutger genoemd. Zij allen worden echter meestal met de familienaam “Van Asselt” aangeduid.8 Johannes van Asselt had, volgens een omstreden akte9 over een ge­schil tussen het kapittel van St.Servaas te Maastricht en Willem III van Home, de goederen te Leveroy door ruiling verkregen.

Johan zou volgens Hardenberg10 een zoon zijn van Hendrik van Asselt. Vaar deze Hendrik vandaan kwam en of hij broers of zussen had is niet met zekerheid te zeggen. Volgens Ramakers11 komen er in oorkonden namen voor van een adelijk geslacht dat zich “Van Asselt” noemt, te weten:

Godefridus en Philippus de Assle, in 1200 en nog eens in 1226; Philippus de Assle met zijn broer Wilhelmus in 1202;12 Siberto (Sibeto) van Assele en Eernannus zijn broer in 124013 Verder wordt er in 1237 ook nog een zekere Gedolfus van Assele14 ge­noemd, wanner deze in juni aan de Mariakerk in Ophoven zijn grote en kleine novaaltienden te Gratem verkoopt tegen een jaarrente van 10 malder tarwe en 15 malder haver, Roermondse maat.

In de akte van 1293 worden verder nog Gerardus de Herken, Theodoricus advocatus de Ruremonde en Gerardus de Utewike genoemd als bloedver­wanten van Johannes van Leverloe.

Gerardus de Kerken, was heer van Karken15 en was, volgens een poging tot een genealogische reconstructie Van de familie van Asselt door Jonkvrouwe Dr. J.M. van Winter,16 gehuwd met Erkenradis van Asselt. Hij was volgens de Jonkvrouwe van Winter17 een zoon van Gerardus de Kerricke, ridder en drost van “Wassenberg.

Erkenradis van Asselt en Gerard hadden tenminste 4 zonen18 te weten:. Johan, Sigerus, Giselbertus en Dirk; de eerste werd heer van Harken19 terwijl de 3 anderen Brabantse leenmannen waren.

Genoemde Theodoricus advocatis de Ruremonde was Dirk IV voogd van Roermond20 was getrouwd met Margaretha van Asselt21 Dirk IV stamde uit het geslacht van de oude voogden van Roermond22  met hem is vermoedelijk het geslacht in de mannelijke stam uitgestorven.

Na zijn dood volgde zijn vrouw Margaretha hem op als voogdes23 en zij op haar beurt werd opgevolgd door haar dochter Elisabeth én haar man Bernard van Beggendorp24.

Elisabeth en Bernard worden op hun beurt opgevolgd door Godert I van Vlodrop hij was waarschijnlijk een neef van Bernard van Beggendorp25 De vader van Godert I zou een neef van Gerard van Karken,26 de man van Erkenradis van Asselt, geweest kunnen zijn. Ten derde is daar Gerard de Utewike. Hij wordt ook genoemd als bloed­verwant van Johannes van Leverloe.27 Het enige dat echter door Linssen aangetoond is, is een verwantschap met Dirk IV.28 Gerard zou namelijk gehuwd zijn met Katharina een zus van Dirk IV. Van een ver­wantschap met Johannes van Leverloe is dan echter nog geen sprake of het zou zo moeten zijn dat Elisabeth, de vrouw van Johannes, enig verwantschap bezat met de familie van Utewike, óf er moet nog een derde zuster zijn geweest die enige verwantschap had met Gerard van Utewike.(bijvoorbeeld zijn moeder of zijn eerste vrouw ???).Deze laat­ste stelling is echter zeer onwaarschijnlijk !

Over de in 1293 reeds overleden broer van Johannes van Leverloe weten we iets meer. Over hem wijdt Ramekers in zijn boek “Honderd eeuwen Swalmen” een uitgebreid artikel.29 Rutger van Asselt was Heer van Asselt en volgens Ramakers een ondervoogd van de Graaf van Gelre.

Hij was dat over de goederen van Maria ad Gradus. Rutger bezat ook het leen genaamd “via iuxta Mosam de Assel, dictam den lynpade van der Masen”.Het lijnpad begon stroomopwaarts bij de Lengen (in de Linden) en stroomafwaarts reikte het tot Hanssum bij Neer. Rutger bezat dit leen met de gehele rechtspraak, zowel op het water als over de oevers. Hij had verder ook de tolgerechtigheid op de Maas aldaar.

Rutger bezat ook de Asselterhof en wel als allodiaal goed. Ramakers neemt met een zekere waarschijnlijkheid aan dat het rechtstreeks uit het kroondomein werd verworven of door huwelijk of door vererving van de Heinsbergers verkregen.

Rutger was volgens Ramakers met een zekere Jutta getrouwd30 terwijl Jonkvrouwe van Winter hem “knape” noemt.31

Zoals we reeds gezien hebben was Johannes van Leverloe al overleden in 1331 .Hetgeen we van hem weten is dat hij getrouwd was met een zekere Elisabeth en vier zonen had; te weten: Johannes, Nicolaus, Reynoldus en Theodoricus.

Johannes komen wij in een oorkonde van 31 maart 134032 tegen. Het be­treft hier een brief van Willem, Heer van Horne, met betrekking tot de visserij in de beek van Leveroy, welke toekwam aan de Hof van Leveroy. De lengte van de beek waarvoor dit visrecht gold was: stroom­opwaarts tot zover het goed reikte en stroomafwaarts tot aan het goed.

“Den Scoir”.33 Volgens J.Berghs34 had de Heer van Horn eerst kort tevoren het goed van de familie van Leverloe gekocht.

In een oorkonde van 3 november 134835 komen we verder de naam tegen van Wilhelmus van Liverloe (misschien een zoon van Johannes van Lever­loe jr.)ln deze oorkonde leggen de schepenen en andere voorname in­gezetenen van Thorn de notariële verklaring af, dat zij verplicht zijn de jaarlijkse beden aan de abdis te betalen.

Als laatste die wij van de familie tegenkomen is Claes van Leyverloe, waarschijnlijk de in de oorkonde van 28 maart 1331 genoemde Uficolaus, in een oorkonde van 25 juli 1382.36 Hierin verklaart hij, dat hij heeft horen zeggen, dat wanneer de fundamenten van de brug van Leyverloe hersteld moeten worden, de hof van Hoechten37 van rechtswege schul­dig is het hout daarvoor te leveren en voorts dat, als de hof van Hoechten het hout voor de fundamenten geleverd heeft, de hof van Leyverloe alle verdere onkosten aan de brug en dijk draagt.

Verder verklaart Jan Horigman in deze zelfde oorkonde, dat hij heeft horen zeggen dat de hof van Hoechten het hout voor de fundamenten van de brug moet leveren en dat Willem van Leyverloe, die in de hof te Leyverloe woonde, de meester van de hof van Hoechten aansprak hout te leveren voor de fundamenten van de brug, toen deze heel slecht waren, welk hout de meester van de hof toen gaf.

Tot zover enkele gegevens over de familie van Leverloe alias van Asselt. Een aspekt is echter tot op heden door niemand nog naar voren gehaald, namelijk de vraag of er een verband was tussen de familie van Asselt ^

En de Toponiem “Dasselrode”(ook wel ooit als dásselrode geschreven38 waar ook de watermolen lag die 124439 reeds naast de molen van Leyverloe genoemd werd.

NOTEN

  1. Habets 1 nr. 163 blz 169, 170
  2. Genoemde maolen was een wartermolen (J. Berghs, Baexems oude verleden blz.
  3. Habets 1 nr. 163 blz 169, 170
  4. Habets 1 nr. 164 blz 170
  5. Habets 1 nr. 165 blz 171
  6. Habets 1 nr. 166 blz 172
  7. Habets 1 nr. 77; blz 70,71,72
  8. Door zowel J.Linssen in zijn artikelen “Mette van ïïtewike vrouwe van Beeck” uit de Maasgouw 1954 en “Naar aanleiding van een oor­konde over Asselt” uit de Maasgouw 1962, als door Jonkvrouwe Dr. J.M. van Winter in haar boek “Ministrialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen”, als door J.Volmond in “Erfvoogden van Roer­mond” uit de Maasgouw 1958 en alsmede nog door H.Eardenberg “De Koningshof Asselt en de oorsprong van Roermond” uit Historische Opstellen over Roermond en omgeving, wordt Johannes van Leverloe genoemd als een broer van’Rutger, Erkenradis en Margaretha van
  9. PSEAL LXXIII blz. 294
  10. De Koningshof Asselt en de oorsprong van Roermond” blz. 123 en ook Jonkvrouwe Dr. J.M. van Winter: “Ministrialiteit en Ridderschap in Gelre en Zutphen” inlegvel tussen blz. 272 en blz. 275-
  11. E.L.Ramakers: “Honderd Eeuwen Swalmen”, blz. 115-
  12. Zie noot 2 A.E.L.Ramakers: Sloet oorkondenboek II nr.968.
  13. Schloss Haag 1220.
  14. Linssen: “Naar aanleiding van een oorkonde over Asselt”, Maas­gouw 1962, kolom 167
  15. Jonkvrouwe Dr. J.M. Winter: “ministrialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen”inlegvel tussen blz 272 en blz 273
  16. Idem, inlegvel tussen blz. 273 noot 33
  17. Idem, inlegvel tussen blz. 273 en 273
  18. Idem, inlegvel tussen blz. 273 noot 33 Lutgardis, weduwe van Johannes de Kerke verkocht uit geldnood de hoge en lage heerlijkheid Karken aan de heer van Heinsberg.
  19. Volmond: “De erfvoogden van Roermond” Maasgouw 1958 kolom 68.
  20. Idem, kolom 69.
  21. Linssen:”Mette van Utewike vrouwe van Beeck”, Maasgouw 1954> kolom 7
  22. Idem, kolom 8.
  23. Volmond: “De erfvoogden van Roermond”, Maasgouw 195S, kolom 72.
  24. Jonkvrouwe Dr. J.M. van Winter: “Ministrialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen”, inlegvel tussen blz. 272 en blz. 273. Godert van Vlodrop zou een zoon zijn van Gerard van Vlodrop, ridder, Montfoorts borgman, dictus Slabbaert en Gertrud van Hivenheim; Bemard van Beggendorp was een zoon van Rutger van Beggendorp en Aleidis van Kivenheim; Aleidis en Getrud waren zusters.
  25. De vader van Godert van Vlodrop zou geweest zijn Gerard van Vlodrop, ridder, Montfoorts borgman, dictus Slabbaert; deze Gerard zou een zoon zijn van Zyzo van Karken, een broer van Gerard van Karken, ridder en drost van Wassenberg.J.Linssen spreekt ech­ter in “Kaar aanleiding van een oorkonde over Asselt” tegen dat Gerardus Slabbart (of Gerard van Vlodrop) de vader geweest is van Godert van Vlodrop.
  26. Habets 1 nr. 77 blz 70,71,72
  27. Linssen: “Mette van Utewike vrouwe van Beeck”, Maasgouw 1954 kolom 4
  28. E.L.Ramakers: “Honderd Eeuwen Swalmen”, blz. 116, 117
  29. Idem, blz. 116: “De relatie van de heren van Asselt met het kapit­tel van Maria ad Gradus blijkt ook uit het kalendarium van deze kerk.Hierin wordt op 1 maart de sterfdag van Rutger van Asselt en zijn echtgenote Jutta herdacht”.
  30. Jonkvrouwe Dr. J.M. van Vinter: “Ministrialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen”, inlegvel tussen blz. 272 en 273-
  31. RAL. St.Elisabethsdal inv.nr. 77
  32. Net “Den Scoir” wordt bedoeld huize de Schoor te Baexem, nabij het oude Dasselrode.
  33. Berghs: “Baexems oude verleden ” blz.
  34. Habets I no. blz.
  35. Inventaris Archief Cisterciënseklooster Roermond.
  36. Hoechten = Heugten. (4 landenpunt ten Noorden van het Weerterbos)
  37. Habets I, nr. blz.