Eef Polak onderduikster in Leveroy


Vluchten voor verraad
EXPOSITIE IN DE TIENDSCHUUR
door Pieternel Kellenaers

Bron: De limburger

Eef Polak ontsnapte in de oorlog aan de Duitsers door jarenlang van het ene naar het andere onderduikadres te verhuizen. Pas jaren na de hereniging met haar broer en ouders vernam ze het lot van de rest van de familie.

Eef Polak (79) herinnert zich nog goed hoe ze in mei 1942 op 9-jarige leeftijd naar Weert kwam. Op het zoldertje in Amsterdam waar ze vanuit Eindhoven met het hele gezin van vijf zaten ondergedoken, konden ze niet blijven. Via de buurman van haar grootouders in Amsterdam-Zuid, Joop Twelkemeijer, regelde Eefs vader onderduikadressen in Limburg. Om daar te komen nam het joodse gezin, behalve haar ouders ook zus Sini (5) en broer Wim (3 maanden), de trein. „De reis ging goed tot we in Eindhoven bekenden zagen. Uit angst voor verraad, mijn zusje zag er erg joods uit en de afdrukken van de gele sterren waren nog op onze jassen te zien, stopte mijn vader ons in een andere coupé. Zo kwamen we veilig in Weert aan.” Tot op de dag van vandaag weet Polak niet waar haar ouders en broertje ondergedoken zaten. Met haar zusje werd ze door vader naar het meisjespensionaat van de Ursulinen in Weert gebracht. „Het was al donker en eigenlijk mochten we niet over straat. Bovendien liep vader een eind vooruit om te voorkomen dat ze ons samen oppakten. Voor de poort aan de Langstraat liep vader snel weg, die ging niet mee naar binnen. Een zuster deed open en zoiets had ik nog nooit gezien. Ze droeg een grote witte kap en een zwart habijt. Daar stonden we dan op de zwart/witte tegelvloer. Het rook naar hete bliksem en ik werd naar van die geur.”

 

Eef en Sini werden in de ziekenkamer van het Ursulinenklooster ondergebracht. „De eerste week mochten de andere meisjes, zo’n tachtig pensionairs van 5 tot 18 jaar, ons niet zien. We moesten eerst leren bidden en leerden alles over hemel, hel en vagevuur. Ik heb een enorm heerlijke tijd gehad bij pleegmoeder Raphaëla en in het klooster voelde ik me veilig. Maar pas nu realiseer ik me hoe vreemd het eigenlijk is dat die andere kinderen ons nooit vroegen hoe het zat. Zij gingen na school naar huis, wij niet.” In de winter van 1943 werden de zusjes Polak verraden en moesten ze naar een ander onderduikadres. „Ik geloof dat een lerares haar mond voorbij had gepraat.”
Voor de zusjes Polak volgde een lange lijst onderduikadressen: in Maarheeze, Budel, Grathem, Heythuysen, Hunsel, Nederweert en Baexem. „Een afschuwelijke periode. Je bent klein, kunt je mond niet opendoen en moet lief zijn. Op een adres in Leveroy kwam vader door omstandigheden bij ons te wonen, maar we moesten hem oom Wim noemen en mochten niet met hem spreken. Vader liep op klompen en deed boerenwerk. Want het was op een boerderij, net als bijna alle adressen. Zo hebben we in Hunsel bij verzetsmensen gezeten. In de hooimijt zat een heel arsenaal zendapparatuur verstopt en elke avond moest ik bovenop de wacht houden terwijl beneden codes en wachtwoorden werden doorgegeven. Eén keer verscheen later in het donker een stil groot vliegtuig dat spullen dropte in de wei, het zal wel oorlogstuig zijn geweest. Ook kwamen de Duitsers in Hunsel, waar verderop druk langs de Maas werd gevochten, spullen vorderen. Een dikke Duitser pakte mijn fietsje af, ik was toen net twaalf.”
Toen Nederland van de Duitsers bevrijd werd, zat Eef Polak met haar zusje bij de Zusters van Liefde in Budel. „Niet lang na september 1945 had mijn vader in België fietsen gekocht en ging hij met mij op de fiets naar Eindhoven om te zien of we een huis konden krijgen. Het duurde even en uiteindelijk lukte het en woonde de familie weer bij elkaar. Dan zit je elkaar vreemd aan te kijken na al die jaren. Een moeilijke periode, we moesten weer helemaal opnieuw beginnen. Over de oorlog werd nooit gepraat. Ook vertelden mijn ouders niet waar onze familie was gebleven, alleen een oom en tante kwamen met drie nichtjes en een neefje vanuit een onderduikadres tevoorschijn. Pas toen ik achttien was, vertelde mijn moeder dat de rest was vermoord door de Duitsers. Hoeveel weet ik niet eens. Mijn grootouders waren in Auschwitz vermoord, mijn oma van vaders kant had zich in Amsterdam van het leven beroofd toen de Duitsers haar kwamen halen.” Bij Eef Polak, die tot haar achttiende alleen de gevechten van de Duitsers had meegekregen, kwam de moord op haar familie binnen als een grote schok. „Mijn haat tegen de Duitsers ontstak toen. Een blinde haat tot nu toe en die zal tot aan mijn dood verder gaan.” Veel over de oorlog praten met de familie doet ze nog steeds niet. „Mijn kinderen willen het niet horen. Vergeet het nou maar mam, zeggen ze dan.”
Op 22 april is in De Tiendschuur de expositie ‘Joodse onderduikkinderen in Weert en Limburg’ geopend met een lezing van onder meer Herman Silbernberg.
Van Silbernberg zijn schilderijen te zien die hij twintig jaar na WOII over die periode maakte.
Verder zijn er foto’s en brieven over het onderduiken en een film uit 1942 over een Barmitswa-viering van de Sittardse familie Wolff te zien.
Maandag geeft Eef Polak een lezing over haar Weerter onderduikperiode in De Tiendschuur.
„Pas toen ik achttien jaar was, vertelde mijn moeder dat bijna de hele familie was vermoord door de Duitsers. Op dat moment ontstak mijn haat tegen de Duitsers. Een blinde haat tot nu toe en die zal tot aan mijn dood verder gaan.”
Eef Polak (79) die als joods onderduikkind in het klooster van de Ursulinen in Weert zat
Tags: ,