interview Martijn Crins
Bron de Limburger
Door: Ivar Hoekstra
Dorpsjongen WIL DE BOEL GRAAG ONTREGELEN
Het sloeg in als een bom: een 25jarige Limburger uit het plattelandsdorp Leveroy wint het vermaarde Cameretten Festival. Dé opmaat voor een glanzende cabaretloopbaan. Schuilt in Martijn Crins de nieuwe Theo Maassen of Hans Teeuwen? „Die komen inderdaad ook uit de provincie. Je hoeft echt niet uit de Randstad te komen om cabaretier te worden. Ik kom uit een dorp van duizend mensen en ben vrij grappig. Ja, dat kan.”
Wat ik op het podium doe lijkt soms op met wat ik doe met vrienden in het dorp: slap ouwehoeren, elkaar een beetje tergen, kijken hoe ver je kan gaan. Bij de voetbalclub hier in Leveroy speel ik samen met een vriend al jaren Sint en Piet Hilarische avonden zijn dat Roepen we alle spelers één voor één naar voren en dan natuurlijk tóch precies beginnen over die dingen waarvan ze stiekem hoopten dat wij ze vergeten waren. En het dan steeds erger maken hé. Dat ze echt denken: oh…shit. Die licht verontruste blik als Sint en Piet de kantine binnenkomen, die spanning, daar doe ik het voor. Dat ze niet precies weten wat er komen gaat, maar wel beseffen dat Sint ze niet spaart Ik wil de boel ontregelen. Had ik op de middelbare school al. Altijd proberen de les een andere wending te geven. Anders vond ik het allemaal te saai. Er waren leraren die daar redelijk gek van werden. ‘Mijn god, het tweede uur heb ik die Crins.’ Ha, ha. Maar ik was niet gemeen of grof of zo. Als je mij gewoon even de ruimte gaf, was ik tevreden. Mijn leraar Nederlands, Wim Segers, begreep dat Die ging op een heel informele manier met mij om. Maakte een dealtje met me. Kreeg ik een paar minuutjes van hem om mijn kunstje te doen. Maar daarna moest ik terug mijn hok in. Natuurlijk was het gedeeltelijk aandachttrekkerij. Al heb ik niet het idee dat het daar alleen om draaide. Ik wilde niet per se het populairste jongetje van de klas zijn. Het is meer de onrust die in mij huist Het verlangen om dingen anders te laten lopen dan gepland. Die lessen op school liepen toch altijd via een bepaald stramien. Daar nam ik geen genoegen mee. Ik wilde er mijn draai aan geven. Met een dialectgrap of een komische dialoog. Ja, het was altijd verbaal. Ja, ik was een druk baasje. Mijn ouders maakten zich daar grote zorgen over. Wat moet er in hemelsnaam van die jongen worden? Vader boos: ‘En nu hou je op met die flauwekul!’ Die wist soms echt niet wat hij met mij aanmoest”
TONEELSCHOOL
Op school moest ik een contract ondertekenen: dat ik plechtig zou beloven mijn gedrag te verbeteren en mijn cijfers op te halen. Nu kan ik er om lachen, maar toen was het heel wat. Ach, ik kan het die school niet kwalijk nemen. Die waren ook ten einde raad. Mijn probleem was dat ik totaal niet wist welke kant ik op moest Van de toneelschool had ik nog nooit gehoord. Jongens uit Leveroy gingen niet naar de toneelschool. Ik keek met mijn vader naar Koot en Bie, slurpte typetjes als Jacobse en Van Es, wethouder Rekking en zwerver Dirk. Dat wilde ik ook, maar hoe? Ik was aangewezen op bonte avonden. Mijn walhalla. Samen met Karel Verlaek, een vriend uit het dorp die een stuk ouder was, zetten we de boel op zijn kop. Schuifdeurenhumor met het dorp als hooggeëerd publiek. Die showkant heb ik van mijn ooms. Mijn grootouders hadden een kroeg in Swartbroek. Om klanten binnen te krijgen en te houden moet er leven in de brouwerij zijn. En dat was er altijd, dankzij mijn ooms die echt wel wisten hoe je de boel op zijn kop kon zetten. Eenmaal op de theateropleiding in Tilburg viel alles op zijn plek: dit was wat ik zocht De leraren waren heel tevreden. Mijn ouders vertrouwden het eerst niet. Die wilden een gesprek met school. Konden na al die trammelant op de Mavo niet voorstellen dat ik daar een modelleerling was. Ha, ha. Voor mij was het een verademing, ik kon mezelf zijn en kreeg daar ook nog complimenten voor.
NIET NAAR AMSTERDAM
Tilburg was voor mij als dorpsjongen natuurlijk een grote verandering. Ik woon er nog, antikraak met een paar anderen. Nee, het is geen wereldstad. Maar moet je als acteur/cabaretier dan in Amsterdam wonen? Wat een onzin. Nu ik wat bekender begin te worden, zijn er inderdaad steeds meer mensen uit het wereldje die zeggen ‘waarom kom je niet naar Amsterdam?’ Waarom in hemelsnaam? Dat vind ik nou provinciaal. Denken dat je als acteur/cabaretier alleen in de Amsterdamse grachtengordel kunt wonen en inspiratie opdoen. Humor vind je overal, ook in een dorp. Als je het maar wil zien. Zo vind ik Geert Wilders heel komisch. Die man heeft echt de lach aan zijn kont hangen. Alleen heeft die dat zelf totaal niet door. En dat maakt hem juist zo grappig. Ach, humor is zó divers. De grappen in de zestiende eeuw gingen vooral over scheten. Een jonkheer die aan tafel een scheet liet Humor is vaak iets onverwachts. En iemand van adel die aan tafel een scheet
liet, was ook in de middeleeuwen tamelijk onverwacht Onverwacht genoeg om grappig te zijn.
ER SCHUILT EEN DORP IN Mij
Goede humor hoeft helemaal niet hoogdravend of intellectueel te zijn. Als ik een avondje ga stappen met mijn maten uit Leveroy, lig ik ook helemaal dubbel hoor. Dat heeft ook alle ingrediënten van goed cabaret De hele avond in de dorpskroeg blijven hangen, bij het krieken van de morgen knetterlam je bed inrollen en je bij het opstaan afvragen waar je je jas en trui in hemelsnaam hebt gelaten (juist op dat moment komt een van zijn vrienden de kroeg binnenlopen met Marlijn trui red). Kijk, dat bedoel ik. Heerlijk toch? Er schuilt een dorp in mij. Ik kom eens in de twee maanden wel een weekend naar Leveroy om het op te snuiven. Gewoon hier in mijn stamkroeg in de Dorpsstraat. Waar ik iedereen ken. Na drie dagen, moet ik wel weer weg. Dan wordt het mij te benauwd en ga ik terug naar Tilburg. Maar ik zal mijn afkomst nooit verloochenen. Theo Maassen komt uit Eindhoven en Hans Teeuwen uit Budel en toch zijn het grote cabaretiers. Maassen woont zelfs nog altijd in Eindhoven. Die cultiveert zijn Brabantse achtergrond in zijn shows. Het is zijn kracht. Ik doe dat ook wel een beetje. Praat een mengelmoesje van Brabants/Limburgs in mijn show. Een
raar provinciaaltje die gaandeweg volledig uit de bocht schiet.
ANTI-CABARET
Nee, ik maak geen licht verteerbare kost. Zet mijn publiek bewust op het verkeerde been met een soort anticabaret. Je ziet de mensen de eerste tien minuten vaak ook denken: wat is dit? Is ook de bedoeling. Ik speel nooit op veilig. Heb geen grappen paraat als het eventjes niet loopt. Ben geen André van Duin of Seth Gaaikema. Je krijgt het als publiek voor je kiezen bij mij. Vorige week speelde ik in een erg kleine zaal. Dan zie je het publiek echt terugdeinzen. Ik blies ze echt een beetje omver. Ook omdat ze mij nog niet kenden. Mensen komen naar een cabaretier om een avondje lekker te kunnen lachen. Maar ik zet het publiek eerst op het verkeerde been. Pas na een tijdje krijgen ze door waar het naar toe gaat en komt de lach. Ik betrek mijn publiek soms ook in mijn show. Tegen iemand die op de eerste rij voortdurend in een notitieblokje kladderde, riep ik keihard: HÉ OPLETTEN JIJ!’ Bleek dat iemand van een of andere intemetsite te zijn. Stond er beteuterd in de recensie ‘hij viel tegen mij uit omdat ik notities maakte.’ Ach, een beginnersfoutje. Maar ik ben wel het type dat er iets van zegt als iemand te laat binnen komt of gaat zitten bellen tijdens mijn show.
JEUGDHELD TOON HERMANS
De Theo Maassen stijl? Nou, laat ik me niet met hem vergelijken. Theo is een absolute grootheid. Ik begin pas net. Nee, hij is niet echt mijn voorbeeld of zo. Die heb ik niet echt. Al was Toon Hermans wel een soort jeugdheld. Ja, dat zeggen veel cabaretiers. Maar die man was ook geniaal. Hij sloeg in zijn show voortdurend zijpaden in en kwam nooit toe aan de hoofdzaken waar hij het eigenlijk over zou gaan hebben. Dat deed hij uiteraard expres. Die
terloopse terzijdes waren het belangrijkste. Zijn timing was daarbij ongeëvenaard. Daarmee kon hij mensen laten lachen om niets. Had-ie bijvoorbeeld een sketch over tennis en vroeg hij aan een medewerker van het theater ‘ach, ga jij even mijn tennisracket halen.’ En vervolgens liet Toon de zaal twee minuten wachten. En dan riep-ie na twee minuten naar achteren ‘wacht even, ik vergeet je de huissleutel te geven!’ Lag die zaal helemaal plat. Maar je moet het maar durven. Als je timing niet klopt, valt zo’n act volledig in het water. Maar ik vind dat je als cabaretier risico’s moet nemen. Balanceren op het randje met de kans dat je naar beneden lazert. Dat maakt het wel spannend. Ja, Toon zou ook nu een grootheid zijn. Wim Kan is gedateerd, Hermans niet. Waar ik nu van hou is Ricky Cervais van de Britse comedie The Office. Zijn rol als kantoorchef die heel grappig denkt te zijn en dat in de ogen van zijn collega’s juist totaal niet is. Het schuurt voortdurend. Plaatsvervangende schaamte bij het kijken. De tekortkoming van de mens die iets wil zijn dat hij niet is. Je herkent het in jezelf:
IN DE MODDER
Wat IK wil zijn? Dat weet ik nog altijd niet precies. Het logische antwoord zou nu zijn: ‘een heel goede cabaretier worden’. Maar ik twijfel. Een halfuurtje grappig zijn voor Cameretten is iets anders dan een show van anderhalf uur vullen. Kan ik dat wel? Daar ga ik nu proberen achter te komen. Samen met mijn regisseur Martijn Bouwman. Hij was mijn docent op de toneelschool en is nu de regisseur van Theo Maassen. Een enorme steun voor mij, iemand van wie ik heel veel leer. Lukt het niet om succesvol cabaretier te worden, dan is dat geen probleem. Nee, echt niet. Ik ben ook acteur en heb aan mijn hoofdrol in het toneelstuk ‘De Helaasheid der Dingen’ gemerkt hoe leuk ik dat vind. Een moeilijke, fysieke rol ook omdat ik hem volledig in de modder moest spelen. Maar juist daarom zo uitdagend. Als ik maar iets kan doen waar ik een uitdaging in zie. Door mijn winst in Cameretten merk ik wel dat er meer op mij wordt gelet. Van onbekende Limburger ben ik nu bekende provinciaal. Grappig hoe dat werkt. Omdat ik in Tilburg woon, ben ik voor de Brabantse pers een talentvolle Brabander, maar omdat ik hier in Leveroy ben geboren en opgegroeid, ziet de Limburgse pers mij als een echt Limburgs talent. Ach, ik kan nog anoniem over straat hoor. Alleen in Leveroy spreken de mensen mij nu wat meer aan. Hier in mijn stamkroeg Oad Leivere hadden ze zelf champagne klaarstaan. Ja, natuurlijk blijf ik komen. Ik doe hier altijd inspiratie op. Zojuist vertelde iemand aan de bar mij nog een mop. Maar heel gek, ik kan niks met moppen. De druk om te moeten lachen bij de clou is voor mij te groot.” (bij het verlaten van de kroeg roept iemand ‘Auf Wiener schnitzel! Crins: „Kijk, dat bedoel ik nou..”).
Paspoort Martijn Crins
Geboorteplaats: Leveroy
Geboren: 20-9-1984
Woont in: Tilburg (antikraak).
Burgelijke staat:Ongehuwd
Ouders: Peter en Tiny.
Broer: Ron
School: Mavo.
Studie: Academie voor Drama in Tilburg
Afgestudeerd in 2008 en sindsdien freelancer
CV: trad op bij het Limburg Festival de voorstelling MORS van MarieTherese Verbruggen, Speelde de hoofdrol in het toneelstuk De helaasheid der dingen. Winnaar. naar Cameretten 2009. Toert momenteel met met de twee andere finalisten door het land.
