LICHT

LICHT

Zonder gids was een Engelsman de mergelgroeven van de Sint Pietersberg binnen gegaan. Hij was niet teruggekomen Drie dagen lang hadden gidsen de berg doorzocht. Ook Willem Roda was erbij geweest. Hun reddingspogingen waren zonder resultaat gebleven.

Willem ging doodmoe naar bed, maar rustig slapen kon hij niet. Hij kreeg een benauwde droom. Hij zag de Engelsman in een donkere gang liggen, worstelend met de dood.

Willem kon het niet uithouden in bed. Hij stond open besloot nog één poging te wagen om de ongelukkige te redden. Hij nam twee lange fakkels mee, wat brood en een flesje rum. Zijn benen konden hem nog amper dragen. Van tijd tot tijd ging hij even op de grond zitten om uit te rusten. Nu dreigde hij in slaap te vallen en om de slaap de baas te blijven begon hij te roepen, met een schorre stem. Hij wist, dat het geluid zich niet ver in de berg voortplantte. Zuchtend wilde hij opstaan om terug te keren, toen hij een dof, zwak geluid meende te horen. Ademloos luisterde hij. Was het echt of droomde hij? Daar was het geluid weer. Hij luisterde, nu eens kwam het geluid van links, dan van rechts. Hoor, nu was het kreunen duidelijk. Het was In dezelfde gang, waar hij gezeten had. Hij ging terug, de gang weer in. De fakkel hield hij zo hoog mogelijk in zijn bevende hand.

Aan het einde van de gang zag hij iets liggen. En op dat moment viel zijn fakkel uit zijn handen. Het was pikdonker om hem heen. Zoekend en tastend kroop hij centimeter voor centimeter verder. Eindelijk voelde hij Iets…. een mens. Hij tilde een arm op. Die viel slap neer, toen Willem hem losliet. Zou hij nog té laat zijn gekomen?

Willem voelde om zich heen naar de fakkel en stak die weer aan. Daar lag de Engelsman. Het lichaam was bleek en koud. Hulp halen was onmogelijk. Dan zou de man in de tussentijd zeker sterven.

Toen herinnerde Willem zich plotseling, wat hij zijn zus Erna had zien doen: toen zijn moeder eens dreigde flauw te vallen, had ze haar polsen en slapen met brandewijn gewreven. Snel pakte hij nu zijn zakdoek, goot er wat rum op en wreef zo hard hij kon polsen, slapen en voorhoofd van de Engelsman. Minuten gingen voorbij. Hij voelde dat het lichaam warmer werd. Eindelijk slaakte de Engelsman een diepe zucht. Hij keek op en zag het licht van de fakkel van Willem. Zijn ogen begonnen te glinsteren.

“Licht, Licht”, stamelde hij. Willem richtte hem op en plaatste hem In een zittende houding. Hij goot wat rum in zijn mond. Een stukje brood ging ook met veel moeite naar binnen.

“Dank zij het licht van de fakkel ben jij gered”, riep Willem zo hard hij kon. En de Engelsman knikte dankbaar. Wat die Engelsman heeft gered, dat was het licht van Willem, de fakkels van Willem.

In deze paastijd mogen wij denken dat Christus het licht, de brandende fakkel van alle mensen is. Hij geeft aan alle mensen geluk, vreugde en dat is allemaal “licht”. Daarom ontsteken wij ook met Pasen de Paaskaars die brandt In alle kerken. Die kaars is het teken van Jezus Christus. Jezus is de kaars, de fakkel, die het hele jaar weer zal branden voor en licht geven aan alle mensen. Het licht van Willem gaf nieuw leven, het licht van Jezus geeft elke dag nieuw leven.

Pastor J. Nijhof

Tags: ,