Priesteres van de oude grond


Bron: De Limburger 15 nov 1980: door Leo Herbrgs.  Foto René de Swart

Oude grond. Ergens tussen Leveroy en Baexem ligt een urnenveld dat nu dichtgegooid is. De akker grenst aan een winters bosje waarachter een koude zon omhoog komt Verder weg worden lichter en bleker de bomen. November, herfst bijna winter.

Lange wegen beloop ik met aan weerskanten ’n enkele boerderij met een blaffende hond, een veldkruis op een hoek van het erf en verblekende chrysanten langs de zijmuur. Piepende vogeltjes vliegen op van de takken. Mariahof. Annahof. Geweldige loodsen met kippen. Ze maken kreunende geluiden, de duizendtallen. Als een golf van de zee sterft het 1geluid in de eindeloosheid van het lege, nevelige land. Ik nader Baexem. In een café zegt de kasteleinsvrouw: „Ik zal een plaatsje voor u gereed maken dichtbij de verwarming: het is koud”. Ze vraagt waar vandaan ik kom. Ik zeg dat ik van Leveroy ben komen aanwandelen, via Liesjeshoek, Oude Hofweg en de Beemdenhoek-weg. Ze wordt oplettend, vraagt of ik ook langs het oude urnenveld gekomen ben.

„Oude grond is het daar”, zegt ze.

Oude grond.

Ze komt erbij zitten, zegt dat ze pijnen kan verlichten, dat ze zelfs van de mensen die buiten op straat langs het café komen kan voelen of ze pijn hebben. Kan zij genezen? „Nee, ik kan alleen soms de pijn wegnemen”. Tijdens mijn aanwezigheid bellen enkele mensen op om haar te vragen hen te helpen. De een is zwaarmoedig, de ander heeft pijn. „Ik pak hun foto, betast die en denk aan die persoon. Het helpt bijna altijd”.

En dat urnenveld, wat heeft dat ermee te maken?

Ze vertelt dat ze indertijd van iemand ‘n beentje gekregen heeft dat uit ’n urn afkomstig moet zijn geweest Dat beentje bewaart ze in ’n doosje. Ze raakt het slechts zelden aan. „Het is te verheven om door onze handen aangeraakt te worden”, zegt ze. Wel legt ze soms de foto van iemand naast het doosje. Dat urnenveld is niet meer te zien. Indertijd hebben ze er de laag zand vanaf gehaald, totdat ze aan de donkere ondergrond kwamen. En daar vonden de onderzoekers het urnenveld. Drieduizend jaar oud.

Oude grond.

Dat beentje is van een jonge vrouw die nog geen dertig jaar geworden is. Het was een priesteres Met tule rond haar hals en een metalen (gouden?) band rond het lichaam.

„De mensen werden vroeger niet zo oud”, zegt de mevrouw. Ze heeft iets over deze priesteres genoteerd op ’n briefje dat ze mij laat lezen: haar naam, hoe ze gekleed was, de tijd waarin ze leefde. Was het een Druïde, een Keltische priesteres? Is deze Baexemse een reïncarnatie? Ik leg het aan haar voor. Ze betwijfelt het Ze zijn allebei zo héél anders!

Intussen houdt ze haar hand voortdurend op een foto van haarzelf. Ze heeft pijn aan ’n schouder. De pijn verdwijnt pas als een collega uit Deurne binnenkomt Als bij toverslag is ze ervan bevrijd. Ik loop terug naar Leveroy en neem nu de hele bocht achter de spoorlijn. De zon heeft het koud in haar kleed van tule. De gouden zomen van het kleed hangen in de bomen. Soms voorden de bomen geesten en gaan wandelen. Ze wandelen over het lege, nevelige veld. Ze wandelen over oude grond. Oude urnengrond.

Dunner en dunner wordt de wand tussen het heden en het zeldzame verleden, totdat die wand breekt Achter de bomen treedt de zon naar mij toe, koelbloedig en ge-wapend, neemt het veld in beslag en strijkt met één lange haal, het witste licht van de wereld over de ume-nakker. En daar, gevormd uit sluiers en nevels, verrijst de dame, de Druïde, de Keltische godin. Maar snel nu en dodelijk valt de bittere avond in.

Tags: ,